Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4505

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
06/5529 WWB-VV + 06/5398 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kortsluiting. Vaststelling vermogen. Koop en verkoop van huis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5529 WWB-VV

06/5398 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], thans wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen van

11 september 2006, 06/91 en 06/380 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Coevorden

(hierna: College)

Datum uitspraak: 19 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

De gronden zijn aangevuld door mr. P.A.Th. Kostwinder, advocaat te Coevorden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2006, waar voor verzoekster is verschenen mr. Kostwinder. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door G.H. Wolbers, werkzaam bij de gemeente Coevorden.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Aan verzoekster is op 3 december 2004 een woning te [de plaats] verkocht en geleverd. Ter financiering van de koopsom en van andere kosten heeft zij drie overeenkomsten van geldleningen tot een totaal bedrag van € 158.789,-- aangegaan, onder verband van twee aflossingsvrije hypotheken en een overbruggingshypotheek op deze woning en op haar toenmalige woning te Steenwijk. Zij is vervolgens op 10 december 2004 met haar kind verhuisd naar haar woning te [de plaats]. Op 14 januari 2005 heeft zij haar oude woning verkocht en geleverd aan de nieuwe eigenaar, en geldleningen onder verband van hypotheek op de oude woning van € 9.153,74 en € 45.378,02 alsmede de geldlening wegens overbrugging van € 90.789,-- afgelost.

Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het College op een aanvraag van verzoekster van 17 december 2004 haar met ingang van 1 januari 2005 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 12 juli 2005 (hierna: besluit a) heeft het College deze aanvraag alsnog afgewezen op de grond dat zij over een vermogen beschikt dat het vrij te laten vermogen te boven gaat.

Bij besluit van eveneens 12 juli 2005 (hierna: besluit b) heeft het College de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2005 tot een bedrag van € 7.570,81 van verzoekster teruggevorderd.

Bij besluit van 13 juli 2005 (hierna: besluit c) heeft het College een aanvraag van verzoekster van 23 mei 2005 om bijzondere bijstand voor woonkosten afgewezen.

Bij besluit van 2 januari 2006 heeft het College de bezwaren tegen de besluiten a, b en c ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 2 januari 2006 ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij in de hoofdzaak is beslist omtrent de intrekking en terugvordering van algemene bijstand.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking van het besluit tot toekenning van algemene bijstand

In artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB is bepaald dat onder vermogen wordt verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het vrije verkeer bij vrije oplevering. Ingevolge het tweede lid van dat artikel, voor zover hier en ten tijde van belang, wordt niet als vermogen in aanmerking genomen:

b. het bij aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemde in het derde lid;

(...)

d. het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf, bedoeld in artikel 50, eerste lid, voor zover dit minder bedraagt dan € 43.100,--.

De in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde vermogensgrens bedroeg in 2005 voor een alleenstaande ouder € 10.210,--.

Ter beoordeling van de voorzieningenrechter staat de vraag of terecht is aangenomen dat het voor de toepassing van de WWB in aanmerking te nemen vermogen ten tijde hier van belang hoger was dan de voor verzoekster geldende vermogensgrens.

Gelet op de gedingstukken is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster op 1 januari 2005 voor de voorziening in de kosten van haar levensonderhoud en dat van haar kind niet redelijkerwijs kon beschikken over de waarde gebonden in haar (op 14 januari 2005 te leveren oude) woning te Steenwijk en die gebonden in haar nieuwe woning te [de plaats]. Bij de vaststelling van het overige vermogen heeft het College tot uitgangspunt genomen dat verzoekster via de notaris, die op 3 december 2004 belast was met het transport van de woning te [de plaats] en de vestiging van hypotheken, een bedrag heeft ontvangen van € 26.949,29. Op dit bedrag zijn in mindering gebracht twee bedragen van € 1.150,-- en € 2.100,--, voor verhuiskosten respectievelijk inrichtingskosten, en een bedrag van € 6.177,28 (het door verzoekster te betalen saldo van de nota van afrekening van de notaris, belast met het transport van de woning te Steenwijk). Volgens het College resteerde na aftrek van de toepasselijke vermogensgrens een in aanmerking te vermogen van € 7.312,01. Deze berekening is onjuist, reeds omdat hier uitgangspunt moet zijn de feitelijke vermogenssituatie bij de aanvang van de bijstand op 1 januari 2005 en omdat in de berekening geen rekening is gehouden met het feit dat tegenover het door het College genoemde bedrag van € 26.949,29 in aanmerking te nemen schulden wegens geldleningen stonden die dit bedrag verre overtroffen.

De voorzieningenrechter stelt verder vast dat met het door verzoekster overgelegde overzicht van 21 juli 2006 en de daarbij gevoegde nota’s en bankbescheiden voldoende aannemelijk is gemaakt dat verzoekster van het ontvangen bedrag van € 26.949,29 in totaal € 11.498,22 heeft betaald wegens verschuldigde makelaarscourtage en verhuiskosten en inrichtingskosten in de periode tot 1 januari 2005 en vervolgens op 10 januari 2005 van het toen nog resterende bedrag het hierboven vermelde, aan de notaris te betalen bedrag van € 6.177,28 heeft overgemaakt.

Met inachtneming van het voorgaande kan, gelet op alle beschikbare gegevens omtrent het vermogen, niet staande worden gehouden dat het voor de toepassing van de WWB in aanmerking te nemen vermogen van verzoekster op 1 januari 2005 meer bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens. Uit deze gegevens blijkt ook niet dat het in aanmerking te nemen vermogen nadien (beoordeeld tot en met 12 juli 2005, de datum waarop besluit a is genomen), die grens heeft overschreden. Dit betekent dat het besluit van 2 januari 2006, voor zover daarbij de intrekking van het besluit tot toekenning van algemene bijstand is gehandhaafd, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb niet in stand kan blijven. Aangezien besluit a op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust, is herroeping van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in dit geval de aangewezen weg om het geschil tussen partijen in zoverre te beslechten.

De terugvordering

De voorzieningenrechter komt tot eenzelfde oordeel ten aanzien van het besluit van 2 januari 2006, voor zover daarbij de terugvordering is gehandhaafd, en van het besluit b.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft een en ander niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor zover deze is aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het besluit van 2 januari 2006 gegrond verklaren, dat besluit vernietigen voor zover daarbij de besluiten a en b zijn gehandhaafd en de besluiten a en b herroepen.

Proceskosten

De voorzieningenrechter ziet aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Daarbij wordt de zitting bij de voorzieningenrechter van de Raad toegerekend aan de hoofdzaak. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Het verzoek om voorlopige voorziening

Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat gelet op het voorgaande geen grond. Wel is er aanleiding om te bepalen dat het door verzoekster in verband met het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht van € 105,-- aan haar wordt vergoed.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het besluit van 2 januari 2006 voor zover daarbij de besluiten a en b zijn gehandhaafd;

Herroept de besluiten a en b;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen door de gemeente Coevorden;

Bepaalt dat de gemeente Coevorden aan verzoekster het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 142,-- vergoedt.

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;

Bepaalt dat de gemeente Coevorden aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 december 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

BKH 131206