Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4499

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
04-3004 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3004 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 8 april 2004, 03/2523 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak : 8 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, nadere stukken ingezonden en een vraag van de Raad beantwoord.

Bij brief van 12 juli 2006 heeft de Raad aan appellants gemachtigde, naar aanleiding van diens verzoek, laten weten vooralsnog geen aanleiding te zien tot benoeming van een deskundige.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 november 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 29 september 2003, hierna: het betreden besluit, heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 23 april 2003, waarbij appellants uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 23 juni 2003 is ingetrokken op de grond dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

Ten aanzien van de medische kant van de schatting heeft de rechtbank als volgt overwogen (waarbij appellant is aangemerkt als eiser en het Uwv als verweerder):

“Gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (met name) de rapporten van de verzekeringarts M. van Oostrom van 3 en 22 april 2003 en de bezwaarverzekeringsarts S. Gommers van 9 september 2003, is de rechtbank van oordeel dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de juistheid van de door verweerder vastgestelde belastbaarheid van eiser per 23 juni 2003.

Uit de rapporten van de verzekeringsarts blijkt dat hij informatie heeft opgevraagd bij eisers behandelend psychiater, M.J.A.M. Hoes, en dat hij de ontvangen informatie van 15 april 2003 bij zijn beoordeling heeft betrokken.

Eiser heeft in beroep met name gesteld dat de verzekeringsarts zijn belastbaarheid niet juist heeft vastgesteld omdat er onvoldoende rekening is gehouden met de informatie van zijn psychiater. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Uit de rapporten van de verzekeringsarts blijkt dat hij bij eiser een discrepantie heeft vastgesteld tussen de geuite beperkingen en de onderzoeksbevindingen. Hiermee rekening houdend heeft de verzekeringsarts onder meer beperkingen vastgesteld ten aanzien van eisers persoonlijk en sociaal functioneren in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De psychiater meldt in zijn brief dat eiser in mei 1999 in behandeling is gekomen en dat eiser last had van depressieve en angstklachten en van slaapstoornissen. De rechtbank is van oordeel dat uit de brief van de psychiater niet zodanig nieuwe medische gegevens naar voren komen dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van de door de verzekeringsarts vastgestelde beperkingen. Door eiser is in een laat stadium aangevoerd dat bij de vaststelling van zijn belastbaarheid geen rekening is gehouden met een huidaandoening waaraan hij lijdt. Ter onderbouwing van dit standpunt is een afdruk van het journaal van zijn huisarts van 10 december 2003 in het geding gebracht. Ter zitting heeft verweerder de reactie van de bezwaarverzekeringsarts hierop mondeling weergegeven. De gegevens van de huisarts geven de rechtbank, mede gelet op de reactie van verweerder, geen aanleiding tot een ander oordeel over de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid. Van de zijde van eiser zijn geen andere medische stukken in het geding gebracht die een ander licht werpen op zijn belastbaarheid op de datum in geding of die tot twijfel kan leiden aan verweerders vaststelling daarvan. Aangezien de rechtbank geen twijfel heeft over de juistheid van de voor eiser vastgestelde belastbaarheid op de datum in geding, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het inschakelen van een deskundige.

Geoordeeld moet worden dat eiser op de in geding zijnde datum in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde beperkingen.”

De Raad kan zich in grote lijnen vinden in dit oordeel van de rechtbank. Hetgeen namens appellant in hoger beroep dienaangaande (nog) naar voren is gebracht heeft de Raad niet geleid tot een ander oordeel dan het in de uitspraak van de rechtbank neergelegde oordeel. De Raad ziet dan ook geen grond voor het inschakelen van een deskundige als verzocht door appellants gemachtigde.

Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting stelt de Raad voorop dat uit de rapportage van E. van Eijken van 16 april 2003 blijkt dat appellant in Marokko alleen de basisschool heeft gevolgd. Appellant, die is geboren op 1 juli 1953, is in 1990 naar Nederland gekomen. Uit het arbeids- en uitkeringsverleden van appellant blijkt dat hij vanaf december 1990 tot de uitval op 9 juli 1996 (slechts) een aantal maanden heeft gewerkt, via een uitzendbureau, als productiemedewerker. Met betrekking tot aan de schatting ten grondslag gelegde functies merkt de Raad op dat bij de functie machinebediende ervaring in het bedienen van machines vereist is. Ter zitting desgevraagd kon de gemachtigde van het Uwv niet aangeven dat appellant over die ervaring beschikt. Ook anderszins is de Raad daarvan niet gebleken. De Raad concludeert dat deze functie ten onrechte aan de schatting ten grondslag is gelegd. Hetzelfde geldt voor de functie productiemedewerker industrie, waar als opleidings-eis is gesteld niveau VBO-metaaltechniek. De Raad komt tot de conclusie dat onvoldoende functies resteren, zodat het bestreden besluit berust op een ontoereikende arbeidskundige grondslag.

De Raad kan en zal in het midden laten of de geselecteerde functies anderszins aan de daaraan gestelde eisen voldoen. Het Uwv zal bij de nieuwe beslissing op bezwaar tevens dienen te betrekken de overige namens appellant naar voren gebrachte grieven van arbeidskundige aard.

De Raad concludeert dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak, en het besluit van 29 september 2003, voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. Simon. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.

(get.) H.J. Simon.

(get.) M.F. van Moorst.

CVG