Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4496

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
05-1133 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog toekenning volledige WAO-uitkering. Schadevergoeding wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1133 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2005, 04/1905 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 13 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 november 2006. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.T.J. van de Pavert.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 8 december 2003 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 5 februari 2004 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. Bij besluit van 13 juli 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen het besluit van 8 december 2003 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Bij brief van 31 oktober 2006 heeft het Uwv de Raad een gewijzigd besluit op bezwaar van 31 oktober 2006 toegezonden waarbij het bezwaar alsnog gegrond is verklaard en appellante per 5 februari 2004 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geacht. Voorts wordt medegedeeld dat de kosten van rechtsbijstand in bezwaar aan appellante worden vergoed.

Nu het Uwv blijkens voormelde brief het in het bestreden besluit ingenomen standpunt niet langer handhaaft, kan dit besluit geacht worden te zijn ingetrokken. Uit de uitspraak van de Raad van 4 februari 1997, gepubliceerd in RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In dit geval is namens appellante in het beroepschrift in hoger beroep een dergelijk verzoek gedaan, zodat het procesbelang niet is komen te vervallen. Gelet hierop zal de Raad de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit vernietigen.

Ten aanzien van het verzoek van appellante om vergoeding van renteschade op grond van artikel 8:73 van de Awb overweegt de Raad dat uit het vorenstaande volgt dat het Uwv nalatig is gebleven uitkering te betalen vanaf 5 februari 2004. Uit de uitspraak van de Raad van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314, volgt dat de eerste dag waarop het Uwv in casu over het bedrag van de niet betaalbaar gestelde bruto-uitkering wettelijke rente verschuldigd is, gesteld moet worden op

1 maart 2004, alsook dat deze rente verschuldigd is tot aan de dag der algehele voldoening. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.

De Raad ziet aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstiuut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 139,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.