Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4446

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
06-52 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van het WW-dagloon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/52 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 december 2005, 05/604

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 7 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Daar is appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen en heeft het Uwv, ambtshalve opgeroepen bij gemachtigde, zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met de volgende, aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens.

Appellant was sinds 1979 in een dienstverband van 36 uur per week werkzaam als kok bij de Stichting [OVO] van de Algemene Bond van Ambtenaren te Zoetermeer (hierna: stichting OVO). Laatstelijk werkte hij bij het vakantie- en conferentiecentrum [naam conferentiecentrum] van de stichting OVO. Op 20 november 1990 is hij wegens ziekte uitgevallen. Met ingang van 15 november 1991 heeft het Uwv appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, welke is berekend naar een dagloon van f 152,52. Per 1 april 1993 is de arbeidsovereenkomst tussen de stichting OVO en appellant ontbonden. Appellant heeft van 1 november 2003 tot 1 juli 2004 20 uur per week als kok gewerkt bij het Streekziekenhuis [naam ziekenhuis] te [vestigingsplaats]. In verband met deze inkomsten uit arbeid is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 1 november 2003 met toepassing van artikel 44 van de WAO uitbetaald volgens de klasse 45 tot 55%. Per 1 juli 2004 ontving appellant in verband met het wegvallen van zijn inkomsten uit arbeid weer een uitkering naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.

Met ingang van 18 november 2004 is de WAO-uitkering van appellant ingetrokken op de grond dat hij weer geschikt was voor zijn werk als fulltime kok. Bij besluit van 17 december 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 18 november 2004 een uitkering ingevolge de WW toegekend, welke is berekend naar een dagloon van € 91,75. Bij besluit van 16 maart 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 december 2004 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat het dagloon van de WW-uitkering moet worden gebaseerd op het loon van appellant bij zijn voormalige werkgever stichting OVO. Bij de vaststelling van het dagloon kan geen rekening worden gehouden met het loon dat appellant bij ziekenhuis [naam ziekenhuis] heeft verdiend, aangezien de mate van arbeidsongeschiktheid in verband met die werkzaamheden niet is gewijzigd omdat niet was komen vast te staan dat appellant die werkzaamheden duurzaam kon verrichten.

De rechtbank heeft het Uwv in dit standpunt gevolgd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant de juistheid van dit oordeel gemotiveerd bestreden. Appellant is van mening dat bij de vaststelling van het dagloon moet worden uitgegaan van het loon dat een zelfstandig werkend fulltime kok bij de stichting OVO op dit moment zou kunnen verdienen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft hij loontabellen van de CAO Horeca overgelegd.

De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.

Op grond van artikel 3 van de in het onderhavige geval toepasselijke dagloonregels IWS wordt bij de bepaling van het dagloon uitgegaan van het gewoonlijk uitgeoefende beroep. Dit is in het geval van appellant de fulltime kok. In dit beroep is geen verandering gekomen als gevolg van het feit dat appellant tijdens de periode waarin hij een WAO-uitkering ontving naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% tijdelijk werkzaam is geweest als parttime kok, aangezien deze werkzaamheden niet hebben geleid tot een wijziging in de mate van de vastgestelde arbeidsongeschiktheid omdat destijds nog niet vaststond dat appellant deze werkzaamheden duurzaam zou kunnen verrichten.

Dit betekent dat het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon op goede gronden is uitgegaan van het loon dat appellant als kok verdiende bij de stichting OVO. In verband met het feit dat appellant sedert 1990 niet meer werkzaam was en sinds april 1993 geen dienstverband meer had met de stichting OVO, heeft het Uwv daarbij het bedrag waarnaar zijn WAO-uitkering laatstelijk voor 18 november 2004 was berekend als uitgangspunt genomen. Dit is het op de destijds door de stichting OVO verstrekte loongegevens gebaseerde en vervolgens geïndexeerde dagloon. De Raad ziet in de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv het WW-dagloon aldus op een te laag bedrag heeft vastgesteld. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat bij de vaststelling van zowel het WAO-dagloon als het WW-dagloon het dervingsbeginsel moet worden gehanteerd in die zin dat wordt uitgegaan van het loon dat appellant laatstelijk voor het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid dan wel werkloosheid in zijn beroep verdiende en dat daarbij dezelfde looncomponenten worden meegenomen. In dit oordeel ligt tevens besloten dat de Raad appellant niet kan volgen in zijn opvatting dat de hem per 18 november 2004 toekomende WW-uitkering behoort te worden gebaseerd op het actuele loon dat een persoon in de functie van appellant volgens de per 1 juli 2005 geldende CAO Horeca maximaal kan verdienen.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) R.E. Lysen.