Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4444

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
19-12-2006
Zaaknummer
06-1070 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van het WW-dagloon berust niet op deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2007/32
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1070 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 januari 2006, 04/2739

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 7 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Daar is appellant verschenen en heeft het Uwv zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met de volgende, aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleende gegevens.

Appellant is van 1 februari 2000 tot 1 januari 2001 bij het kledingdistributiebedrijf [DFG] (hierna: DFG) werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Appellant had volgens het contract de functie van commercieel medewerker en hield zich als enige binnen DFG bezig met de verkoop van het merk [merknaam]. Daarnaast verkocht hij via zijn eigen netwerk andere merken van DFG waaronder [U.S.]. Hij ontving naast een vast brutosalaris een bonus van 0,4 % over de door hem gerealiseerde omzet in het merk [merknaam]. Het contract is per

1 januari 2001 omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd. De hierover tussen DFG en appellant gemaakte afspraken zijn vastgelegd in een brief van 2 januari 2001. Een van die afspraken houdt in dat appellant een bonus van

2% bruto ontvangt over alle na 1 januari 2001 geboekte omzet (inkoopwaarde winkelier) in het merk [U.S.] en over de specifiek door hem gerealiseerde omzet in de overige merken van DFG.

Bij beschikking van 13 oktober 2003 is de arbeidsovereenkomst tussen DFG en appellant met ingang van 1 december 2003 ontbonden. Bij besluit van 16 januari 2004 is aan appellant met ingang van 1 december 2003 een uitkering ingevolge de WW toegekend, welke is berekend naar een dagloon van € 92,00. Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen het besluit van 16 januari 2004 ongegrond verklaard. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellant gelet op de definitie in artikel 11 van de Dagloonregels Invoeringswet Stelselherziening Sociale zekerheid (hierna: Dagloonregels IWS) niet als handelsvertegenwoordiger kan worden aangemerkt en dat de in artikel 3 van het arbeidscontract van appellant opgenomen omzetafhankelijke bonus op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder d, van de Dagloonregels IWS voor de vaststelling van het dagloon niet tot het loon worden gerekend.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv in dit standpunt gevolgd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

Hij is kort gezegd van mening dat hij als handelsvertegenwoordiger moet worden aangemerkt en dat bij de vaststelling van het dagloon rekening moet worden gehouden met de aan hem uitbetaalde commissies.

De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.

Op grond van het besluit op bezwaar stelt de Raad vast dat het Uwv bij de vaststelling van het WW-dagloon uitsluitend acht heeft geslagen op het op 1 januari 2001 geëindigde arbeidscontract voor bepaalde tijd en niet tevens op de in de brief van

2 januari 2001 neergelegde afspraken tussen appellant en DFG voor de periode vanaf 1 januari 2001.

Voor de Raad is op grond van de in beroep door appellant overgelegde salaris-specificaties over de jaren 2001 tot en met 2003 en de daarbij gevoegde commissie-overzichten, waarin inzicht wordt gegeven in de berekening van de commissies, voldoende komen vast te staan dat appellant in overeenstemming met de met DFG gemaakte afspraken een bonus van 2% heeft ontvangen over de bedragen van de verkooporders die hij voor het merk [U.S.] en de overige merken van DFG bij winkeliers wist te plaatsen. De Raad leidt uit de hiervoor vermelde gegevens voorts af dat het recht op en de hoogte van deze bonus uitsluitend afhankelijk was van de door appellant persoonlijk gerealiseerde verkooporders voor merkkleding aan winkeliers en niet (mede) van de totale omzet dan wel het totale bedrijfsresultaat van DFG. De Raad is in verband hiermee van oordeel dat genoemde bonus niet kan worden beschouwd als een uitkering als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder d, van de Dagloonregels IWS, maar moet worden aangemerkt als een beloning voor een individuele prestatie dan wel inspanning, niet zijnde een prestatie- en productiepremie met een incidenteel of uitzonderlijk karakter als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Dagloonregels IWS. Dit betekent dat de betaalde bonus tot het loon als bedoeld in de Dagloonregels IWS moet worden gerekend.

Gegeven deze conclusie kan en zal de Raad in het midden laten of appellant als een handelsvertegenwoordiger als bedoeld in artikel 11 van de Dagloonregels IWS kan worden aangemerkt.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 8 juni 2004 niet op een deugdelijke motivering berust. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, het beroep van appellant tegen dat besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het Uwv zal met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen opnieuw op het bezwaar van appellant moeten beslissen.

Van voor vergoeding op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het besluit van 8 juni 2004 gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 140,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Pijper.