Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4435

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
05-7143 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet honoreren van het verzoek van het bedrijf om eigen risicodrager te worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/7143 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante]

(hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 november 2005, nr. 05/1126 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: het Uwv)

Datum uitspraak: 7 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2006. Appellante is daar verschenen bij gemachtigde mw. P.I. [v.d. M.], financieel manager, bijgestaan door mr. H.A.A. Berendsen, consultant bij Loyalis, als raadsman. Namens het Uwv is verschenen mr. E. Kuipers, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding staat centraal de beantwoording van de vraag of appellante bij of krachtens de wet, met name de Wet educatie beroepsonderwijs (Web), is ingesteld en daardoor als (overheids-)werkgever op basis van artikel 1, onder k, van de Wet overheidspersoneel in verbinding met artikel 75, eerste lid, van de WAO zonder bezit van een schriftelijke garantie gebruik zou kunnen maken van de ontheffingsregeling bedoeld voor de categorie opgenomen in artikel 1, onderdeel c, van de Regeling ontheffing garantieplicht WAO overheidswerkgevers.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overeenstemming met de zienswijze van het Uwv in het na bezwaar genomen besluit van 8 november 2004, strekkende tot het niet honoreren van het verzoek van appellante om met ingang van 1 juli 2004 eigen risicodrager te worden, deze vraag gemotiveerd ontkennend beantwoord.

In hoger beroep doet appellante betogen dat zij bij dan wel krachtens de Web is ingesteld en dat daarenboven moet wegen dat zij als zogenaamde B2-werkgever in de zin van de voormalige ABP-wet hier een onderwijswerkgever betrof die tenminste voor 51% van rijkswege werd bekostigd zonder voorstelbaar faillissementsrisico. Daardoor zou zij onder opgemelde ontheffingsregeling dienen te vallen.

De Raad overweegt het volgende.

Evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad niet kunnen vaststellen dat appellante bij dan wel krachtens de Web dan wel bij een speciale instellingswet met name en met bijbehorende uitwerking in desbetreffende bepalingen en nader adstruerende toelichting op desbetreffende hogere dan wel lagere regelgeving is ingesteld. Het bestaan van een notariƫle stichtingsakte voor appellante biedt als zodanig niet een zodanige vereiste grondslag als hiervoor bedoeld. In dit laatste wordt evenmin verandering gebracht door de omstandigheid dat appellante grotendeels van rijkswege bekostigd wordt en als een B2-werkgever te boek staat.

De in de eerste alinea van deze rubriek gestelde vraag wordt blijkens hetgeen hiervoor overwogen is door de Raad in ontkennende zin beantwoord.

Het hoger beroep treft dan ook geen doel en de aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en N.J. van Vulpen-Grootjans als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 december 2006.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Pijper.