Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4426

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2006
Datum publicatie
15-12-2006
Zaaknummer
04-6549 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking WAO-uitkering. Juistheid belastbaarheid. Geschiktheid geselecteerde functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6549 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 november 2004, 04/126

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 15 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2006. Partijen zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 30 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) tot handhaving van zijn besluit van 22 april 2003, waarbij appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 juni 2003 is ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellantes gemachtigde de eerder aangevoerde beroepsgronden herhaald. Volgehouden wordt dat de klachten tot de conclusie moeten leiden dat betrokkene volledig, althans meer dan 15% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd, zoals in eerdere beslissingen ook is neergelegd. In de situatie van appellante is immers geen verandering opgetreden. De door de verzekeringsarts aangenomen beperkingen als gevolg van stemmingsstoornissen zijn ten onrechte niet vertaald naar een arbeidsongeschiktheidspercentage. Meer in het bijzonder geldt dat het Claimbeoordelings-en Borgingssysteem (CBBS) in deze geen inzicht verschaft in hoe de beperkingen zich verhouden tot de geduide functies.

Voor wat betreft de medische kant onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank. De verzekeringsarts J. van der Leij heeft begin 2002 een onderzoek laten uitvoeren door de psychiater J.C.A. Weijmar Schultz. De verzekeringsarts

L.R. Cornelius heeft vervolgens in 2003, mede op basis van informatie van de huisarts H.J. Kramer en van de psychiater

P. Punwasi, vastgesteld dat behandeling bij de GGZ Groningen niet van de grond was gekomen omdat appellante afspraken niet nakwam en zich aan behandeling onttrok. Tijdens eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts geen symptomen gezien die wijzen op een psychiatrisch toestandsbeeld c.q. depressieve stoornis. Op basis van de in het dossier voorhanden gegevens ziet de Raad -met de rechtbank- geen aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen van appellante onjuist of onvolledig zijn ingeschat.

Aan de eigen, ook in hoger beroep niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellante met betrekking tot haar gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht wil zien.

Op grond van het vorenstaande uitgaande van de juistheid van de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) kan de Raad de door appellantes gemachtigde opgeworpen algemene arbeidskundige grief evenmin volgen. Het CBBS vergelijkt de op de (kritische) FML voorkomende belastbaarheidsaspecten met de belastinggegevens van de in het systeem opgenomen functies. In zijn uitspraken van 9 november 2004 heeft de Raad vooropgesteld dat hem niet is gebleken van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten.

De Raad overweegt dat het Uwv in de voorhanden arbeidskundige rapportages voldoende inzichtelijk heeft gemaakt om welke redenen appellante geschikt is te achten voor de functies telefoniste-receptioniste-typiste (SBC 315120), inpakster banket (SBC 111190) en kassamedewerkster (SBC 317030), waarop de arbeidsdeskundige C. Brouwer de schatting heeft doen rusten.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van D. Olthof als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 december 2006.

(get.) R.C. Stam.

(get.) D. Olthof.