Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
04-5610 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5610 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 augustus 2004, 03/344 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 12 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met bijlage, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2006, waar appellante en haar gemachtigde, met kennisgeving, niet zijn verschenen, en waar het Uwv zich heeft doen vertegenwoordigen door M. Wiersma.

II. OVERWEGINGEN

Appellante is op 4 november 1998 in verband met psychische klachten en persoonlijkheidsproblematiek uitgevallen voor haar werkzaamheden als commercieel medewerkster. Omdat er bij appellante per einde wachttijd sprake was van een langdurig onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren, is haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend naar de klasse 80 tot 100%. De aan appellante toegekende uitkering is vervolgens onder toepassing van artikel 44 van de WAO gedurende een groot gedeelte van het jaar 2001 in verband met genoten inkomsten uit arbeid tijdelijk naar een lagere klasse of niet uitbetaald.

De verzekeringsarts M. Nasseri, die appellante in het kader van de eerstejaarsherbeoordeling heeft onderzocht, heeft aanleiding gezien een expertise te laten verrichten door zenuwarts J.M.E. van Zandvoort. Deze zenuwarts diagnosticeerde in zijn rapport van 20 juni 2002 een persoonlijkheidsstoornis met sterke borderline trekken, met als gevolg daarvan een aanpassingsstoornis met angst en stemmingsproblematiek. In verband hiermede formuleerde Van Zandvoort een aantal beperkingen. De verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en met inachtneming van de bevindingen van Van Zandvoort geconcludeerd dat appellante ten gevolge van een persoonlijkheidsstoornis beperkingen kent ten opzichte van het normaal functioneren, maar dat zij niettemin over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt. Van Zandvoort heeft daarbij in het midden gelaten of er bij appellante sprake is van ADHD. De arbeidsdeskundige oordeelde dat appellante ongeschikt was te achten voor haar eigen werk, maar geschikt was te achten voor passende functies. Na functieduiding resteerde er een verlies aan verdiencapaciteit van 20%, waarop het Uwv bij besluit van 30 augustus 2002 de aan appellante toegekende WAO-uitkering per 21 oktober 2002 heeft herzien naar de klasse 15 tot 25%.

Appellante heeft in bezwaar, onder verwijzing naar medische verklaringen van een drietal psychiaters en een psychotherapeut, aangevoerd dat het Uwv haar beperkingen heeft miskend c.q. te laag heeft ingeschat. Appellante betwist onder meer de opmerkingen van zenuwarts Van Zandvoort ten aanzien van een bij appellante bestaande ADHD.

De bezwaarverzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de primaire medische beoordeling. De bezwaararbeidsdeskundige heeft daarentegen wel aanleiding gezien de omvang van de maatman op

32 uur per week en het maatmaninkomen nader vast te stellen. In verband met deze aanpassingen is de schatting op andere eerder voorgehouden functies gebaseerd. Dit heeft niet geleid tot wijziging van de arbeidsongeschiktheidsklasse. Bij besluit op bezwaar van 18 februari 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv zijn primair besluit van 30 augustus 2002 gehandhaafd.

Appellante heeft in beroep opnieuw de juistheid van de vaststelling van haar beperkingen en de omvang van de maatman betwist. Ter onderbouwing van haar grieven heeft appellante verwezen naar een op haar verzoek uitgebrachte rapportage van 5 juli 2003 van prof. dr. R.J. van den Bosch, psychiater in het Academisch Ziekenhuis Groningen. De inhoud van deze rapportage heeft bezwaarverzekeringsarts P.H. Storms geen aanleiding gegeven de medische grondslag van het bestreden besluit te herzien.

Desgevraagd heeft bezwaararbeidsdeskundige P. de Groot de rechtbank een nadere motivering gegeven ten aanzien van de geschiktheid van de voorgehouden functies op de niet-matchende onderdelen in het CBBS.

Op verzoek van de rechtbank heeft zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman op 9 januari 2004 van verslag en advies gediend. Kemperman heeft aanleiding gezien om een aanvulling te geven op de diagnose die door verzekeringsarts Nasseri is vastgesteld omdat appellante zijns inziens tevens beperkt is ten gevolge van een aanpassingstoornis en ADHD in remissie. Kemperman heeft in verband met deze aanvullingen aanleiding gezien de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) op enkele aspecten bij te stellen. Daarnaast heeft Kemperman opgemerkt dat appellante niet voldoet aan de criteria van de standaard “Geen duurzaam benutbare mogelijkheden”. Zijns inziens is het wel verstandig arbeid te duiden die aan bepaalde voorwaarden voldoet en voorts enige duurbeperking ter recuperatie aan te bieden.

Bezwaarverzekeringsarts Storms heeft aanleiding gezien om Kemperman te volgen in zijn bevindingen en de door hem voorgestane bijstelling van de FML. De bezwaarverzekeringsarts heeft echter geen reden voor een algemeen geldende duurbeperking gezien. Hiertoe merkte Storms op dat appellante haar dagen steeds tamelijk normaal kon doorbrengen en ook een normaal dagritme had. Hiermee is aangetoond dat appellante een gehele dag bezig moet kunnen zijn. Bijzondere recuperatie is naar het oordeel van Storms pas nodig als de belastbaarheid wordt overschreden, hetgeen niet het geval nu de FML overeenkomstig het advies van Kemperman is bijgesteld.

Appellante heeft de rechtbank in beroep nog enige stukken doen toekomen van haar fysiotherapeut P. Glashouwer en revalidatiearts E.H.J. Lammers.

De rechtbank heeft aanleiding gezien de door haar geraadpleegde deskundige zenuwarts/neuroloog/psychiater

C.J.F. Kemperman te volgen in diens oordeel. De rechtbank kan zich geheel vinden in de wijze waarop bezwaarverzekeringsarts Storms dit oordeel heeft weergegeven in de FML. De rechtbank is evenals de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor het aannemen van een duurbeperking nu hiervoor in de stukken onvoldoende grond te vinden is. Zij heeft in dit verband overwogen dat uit de rapportage van Kemperman niet volgt dat er een medische noodzaak voor een duurbeperking bestaat. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de voorgehouden functies berekend zijn voor de belastbaarheid en de krachten en bekwaamheden van appellante. Het Uwv heeft de uitkering van appellante naar het oordeel van de rechtbank terecht per 21 oktober 2002 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank geen juiste waardering gegeven heeft aan de rapportage van de door haar ingeschakelde deskundige Kemperman. Naar het oordeel van appellante diende de rechtbank gelet op de meningen van de andere artsen, meer bepaald die van prof. dr. Van den Bosch, aan te nemen dat Kemperman met zijn opmerking over de duurbeperking bedoeld heeft te zeggen dat er een medische noodzaak bestaat voor een duurbeperking.

Voorts heeft appellante aangevoerd dat het maatmaninkomen ten onrechte is gebaseerd op 30,4 uur werken per week. Zij was namelijk 36 uren per week werkzaam.

De Raad overweegt als volgt.

Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv de medische beperkingen van appellante juist heeft vastgesteld en terecht heeft geconcludeerd dat er geen aanleiding bestaat voor het in aanmerking nemen van een duurbeperking, zoals ook door de rechtbank in haar uitspraak is overwogen. Voorts is tussen partijen de omvang van de maatman in geschil.

De primaire verzekeringsarts heeft op basis van eigen onderzoek en na raadpleging van zenuwarts Van Zandvoort vastgesteld dat appellante, die over duurzaam benutbare mogelijkheden beschikt, in verband met de bij haar bestaande psychische problematiek aangewezen is op arbeid zonder veelvuldige piekbelasting, conflicterende functie-eisen, conflicten, en met een goede structuur, waarbij appellante zoveel mogelijk alleen of in kleine groepen werkt. De bezwaarverzekeringsarts heeft de verzekeringsarts hierin gevolgd. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiertoe onder meer overwogen dat de eventuele vaststelling van een ADHD bij appellante, zoals door Van Zandvoort in zijn rapportage reeds is opgemerkt, niet van invloed is op de bestaande beperkingen in psychisch functioneren zoals neergelegd in de FML. Ook met het bij appellante geconstateerde hypermobiliteitsbeeld is door de bezwaarverzekeringsarts rekening gehouden bij de beoordeling van de FML. Omdat een hypermobiliteitsbeeld zich verzet tegen zware belastingen van de gewrichten, maar niet tegen de normaalwaarden zoals in de FML, is geen aanleiding gezien de FML bij te stellen. De rapportage van de door de rechtbank geraadpleegde deskundige Kemperman heeft de bezwaarverzekeringsarts daarentegen wel aanleiding gegeven om de FML bij te stellen op enkele aspecten betreffende het persoonlijk en sociaal functioneren. De bezwaarverzekeringsarts heeft nadrukkelijk overwogen geen aanleiding te zien voor een algemeen geldende duurbeperking, zoals door psychiater prof. dr. Van den Bosch lijkt te worden voorgestaan.

De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van dit oordeel. De Raad overweegt hiertoe dat de opvattingen van Van Zandvoort, Van den Bosch en Kemperman in meer of mindere mate overeen lijken te stemmen ten aanzien van de bij appellante bestaande psychiatrische problematiek. Hun visies lopen echter enigszins uiteen omtrent de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. De Raad is evenals het Uwv en de rechtbank van oordeel dat uit de rapportage van Kemperman, al dan niet bezien in samenhang met de rapportage van prof. dr. Van den Bosch, niet volgt dat appellante niet over duurzaam benutbare mogelijkheden zou beschikken, zoals door appellante wordt gesteld. De Raad merkt in dit verband op dat appellante ten tijde in geding niet disfunctioneerde op persoonlijk en sociaal vlak en dat ook uit het gepresenteerde dagverhaal aan de primaire verzekeringsarts blijkt dat zij haar dag redelijk goed kon vullen. Naar het oordeel van de Raad moet, zoals de rechtbank in feite ook overwoog, de opmerking van Kemperman aangaande het aanbieden van enige duurbeperking ter recuperatie, opgevat worden als een advies of wenselijkheid, maar niet als een medische noodzaak. De Raad vindt hiervoor steun in het feit dat Kemperman geen aanleiding heeft gezien de FML wat betreft de urenomvang aan te passen. De Raad merkt tot slot op dat uit de rapportage van prof. dr. Van den Bosch ook anderszins niet blijkt dat de beperkingen van appellante niet juist zouden zijn vastgesteld. Van den Bosch merkt in zijn rapportage immers op dat de op 7 augustus 2002 opgestelde FML een acceptabel overzicht geeft van de ook door hem vastgestelde beperkingen.

Wat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit betreft overweegt de Raad dat met zijn uitspraak in de zaak 02/6461 WAO inmiddels vast is komen te staan dat de omvang van de maatman 32 uur was.

De Raad overweegt dat hem ook overigens niet gebleken is dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante naar het oordeel van de Raad terecht per 21 oktober 2002 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15 tot 25%.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door en C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.