Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4367

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
04-5165 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaar? WAO-schatting.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5165 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 4 augustus 2004, 03/622 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 28 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft – onder verwijzing naar een rapport van de bezwaarverzekeringsarts I.F.D. van den Bold van 25 oktober 2004 – een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 oktober 2004 heeft mr. E.C.R.E.M. Corsten, advocaat te Eindhoven, zich als waarnemend gemachtigde van appellant gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2006.

Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J.C. Röttjers.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, voorheen werkzaam als productiemedewerker voor gemiddeld 40 uur per week, meldde zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek op 14 september 1998 als gevolg van rugklachten. De rechtsvoorganger van het Uwv heeft bij besluit van 20 april 2000 aan appellant, na het doorlopen van de wettelijke wachttijd, met ingang van 13 september 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de zogenoemde eerstejaars herbeoordeling is appellant op 11 februari 2002 onderzocht door de verzekeringsarts M. Opheij. Blijkens het rapport van diens onderzoek van 15 februari 2002 is de belastbaarheid van appellant dezelfde als bij een eerdere beoordeling op 17 mei 2000 is vastgesteld. Bij laatstgenoemde beoordeling was de belastbaarheid van appellant ten opzichte van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 2 augustus 1999 aangepast. Opheij legde zijn bevindingen, die erop neerkwamen dat appellant licht beperkt is aan de rechterhand en -duim en dat een beperking gold voor een combinatie van tijdsdruk, dwingend werktempo en conflicthantering, vast in het handgeschreven FIS-formulier van 15 februari 2002, dat uitwerking vond in het belastbaarheidspatroon van 14 mei 2002. Op basis hiervan en aan de hand van de arbeidsmogelijkhedenlijst van eveneens 14 mei 2002 selecteerde de arbeidsdeskundige H.F.G.A.M. van den Bosch blijkens het rapport van 23 mei 2002 een aantal functies en berekende hij, uitgaande van het mediane loon van de vier hoogst belonende functies, welke in dit geval vanwege het aantal arbeidsplaatsen per functie voor de schatting in aanmerking zijn genomen, het verlies aan verdienvermogen op 3,01%. Vervolgens trok het Uwv de WAO-uitkering van appellant bij besluit van 25 juli 2002 met ingang van 25 (lees: 26) september 2002 in.

In de bezwaarprocedure is namens appellant – ter onderbouwing van het standpunt dat hij volledig arbeidsongeschikt is – een rapport van de klinisch psycholoog drs. T.C.G. Verbunt van oktober 2000 overgelegd. Verbunt, die aangaf dat appellant uiteindelijk niet meewerkte aan de psychologische tests en dat zijn rapport de weerslag is van het met appellant gevoerde gesprek, concludeerde dat appellant kenmerken heeft van zowel een borderline- als van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Verbunt achtte appellant eigenlijk niet geschikt voor arbeid in dienstverband, maar beschreef toch ook de voorwaarden onder welke appellant enige buitenfuncties, waarbij veel vrijheid en autonomie aan de orde is, zou kunnen vervullen.

De in rubriek I van deze uitspraak vermelde bezwaarverzekeringsarts gaf in zijn rapport van 17 januari 2003 aan dat appellant de laatste jaren niet meer onder behandeling is, dat de concentratie en aandacht tijdens de hoorzitting goed en ongestoord was en dat er wat betreft de lichamelijke klachten geen ziektegedrag is. Van den Bold onderschreef voorts het onderzoek en de conclusies van Opheij. Wat betreft het rapport van Verbunt gaf Van den Bold aan dat dit is opgemaakt in het kader van beroepskeuze en reïntegratie en dat in dat kader alle beperkingen en mogelijkheden van belang zijn, terwijl het bij een onderzoek in het kader van de WAO gaat om het vaststellen van beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek. Volgens Van den Bold gaat het bij Verbunt echter niet om beperkingen in de zin van de WAO en is het gegeven dat sprake is geweest van detentie of ongewenst gedrag onvoldoende om ziekte of gebrek aan te nemen. Het gaat hier om beperkingen in verband met karaktertrekken en gedrag die in het kader van een beoordeling van arbeidsongeschiktheid niet mogen worden meegenomen. Vervolgens verklaarde het Uwv bij besluit van 31 januari 2003 het bezwaar van appellant ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Zij was op grond van de beschikbare gegevens van oordeel dat door het Uwv de medische beperkingen van appellant niet zijn onderschat. Uit de overwegingen van de aangevallen uitspraak leidt de Raad voorts af dat de rechtbank in feite de visie van Van den Bold ten aanzien van het rapport van Verbunt onderschreef.

In hoger beroep is namens appellant onder verwijzing naar het rapport van Verbunt betoogd dat appellant om sociaal-emotionele redenen niet in staat is in een gereguleerde arbeidsomgeving te functioneren.

De Raad stelt voorop dat in het bestreden besluit weliswaar terecht geconcludeerd is tot ontvankelijkheid van het bezwaar van appellant, maar dat de daarvoor gegeven reden niet juist is. Vast staat immers dat het besluit van 25 juli 2002 aanvankelijk naar het oude adres van appellant is verzonden, terwijl appellant reeds op 8 november 2001 de rechtsvoorganger van het Uwv had geïnformeerd omtrent zijn nieuwe adres. Van een bekendmaking in de zin van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is dan ook eerst sprake met de toezending van het primaire besluit aan het juiste adres op 10 september 2002, zodat op 13 september 2002 door appellant tijdig bezwaar is gemaakt.

De Raad ziet hierin evenwel geen aanleiding over te gaan tot vernietiging van het bestreden besluit.

De Raad heeft in de beschikbare medische gegevens omtrent appellant geen aanknopingspunten gevonden om ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gegeven. Van de zijde van appellant zijn ook geen medische gegevens, afkomstig uit bijvoorbeeld de behandelend sector, overgelegd, die een ander licht werpen op de juistheid van de volgens het Uwv op de datum in geding voor appellant aan te houden beperkingen. Wat betreft het rapport van Verbunt onderschrijft ook de Raad de visie van Van den Bold. Hij tekent daarbij nog aan dat, zoals ook de rechtbank heeft opgemerkt, het onderzoek van Verbunt niet volledig is geweest, nu appellant daaraan niet geheel heeft meegewerkt. Voorts acht de Raad nog van belang dat appellant ten tijde van de datum in geding ook niet onder behandeling stond voor de gestelde psychische klachten.

Nu ook overigens in het licht van artikel 8:69, tweede lid, Awb geen aanleiding bestaat het bestreden besluit rechtens voor onjuist te houden, dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en H.G. Rottier en H.T. van der Meer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006.

(get.) C.W.J. Schoor.

(get.) M. Gunter.