Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
06-1188 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Schending medewerkingsverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1188 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 11 januari 2006, 05/382

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Kaya, advocaat te Hengelo, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Roemers, werkzaam bij de gemeente Hengelo.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Op 15 november 2004 heeft appellant zich gemeld bij de Centrale Organisatie voor werk en inkomen met een verzoek om bijstand. Naar aanleiding van deze melding heeft appellant op 7 december 2004 bij het College een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

Appellant heeft bij zijn aanvraag opgegeven in Hengelo te wonen op het adres van zijn broer aan de [adres]. Hierop heeft het College een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefomstandigheden van appellant, in welk kader rapporteurs van de sociale dienst van de gemeente Hengelo op 14 december 2004 een huisbezoek hebben afgelegd aan het door appellant opgegeven adres en appellant eveneens op

14 december 2004 voor een gesprek is verschenen bij de sociale dienst. De bevindingen van dat bezoek en van dat gesprek, zoals neergelegd in het rapport van

14 december 2004, zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van

14 december 2004 de aanvraag van appellant af te wijzen op de grond dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 17, eerste lid, van de WWB, als gevolg waarvan niet kan worden vastgesteld of appellant recht op bijstand heeft.

Bij besluit van 22 februari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van

14 december 2004 ongegrond verklaard met wijziging van de grondslag. In dat verband is overwogen dat appellant zonder dringende reden geen medewerking heeft verleend aan een huisbezoek op het door hem bij de gemeentelijke basisadministratie opgegeven woonadres, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

22 februari 2005 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 11, eerste lid, van de WWB bepaalt dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het College op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB is de belanghebbende verplicht aan het College desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de WWB.

Uit de stukken blijkt dat rapporteurs van de sociale dienst van de gemeente Hengelo, nadat gegronde twijfel was gerezen over het feitelijke woonadres van appellant, ter vaststelling van de woon- en leefsituatie van appellant op 14 december 2004 een huisbezoek hebben afgelegd aan het adres [adres], te Hengelo. Door een familielid van appellant is op dat moment verklaard dat appellant niet in die woning verbleef maar bij zijn ouders op het adres [adres 2] te Hengelo. In een aansluitend huisbezoek op dat adres is appellant in die woning aangetroffen. In reactie op vragen van de rapporteurs naar zijn woonsituatie, heeft appellant zich zowel bij dat huisbezoek als tijdens het later op die dag gevoerde gesprek bij de sociale dienst intimiderend en bedreigend jegens de rapporteurs gedragen en vervolgens elke verdere medewerking aan het onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie geweigerd.

De Raad stelt voorop dat de verklaring van de schoonzus van appellant en de feitelijk aangetroffen situatie ten huize van de ouders van appellant, in samenhang met de eigen verklaring van appellant dat hij bij zijn broer woonde, een redelijke grond opleverden om van appellant te verlangen medewerking te verlenen aan een huisbezoek op het adres van zijn broer aan de [adres]. Door de gevraagde medewerking te weigeren, en een bezoek aan die woning door zijn agressieve en bedreigende houding zelfs onmogelijk te maken, heeft appellant de ingevolge artikel 17, tweede lid, van de WWB op hem rustende verplichting geschonden. Aangezien het feitelijke woonadres voor de beoordeling van het recht op bijstand een essentieel gegeven vormt, kon ten tijde in geding als gevolg van de handelwijze van appellant het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het College heeft de afwijzing van de aanvraag om bijstand van

7 december 2004 bij het besluit van 22 februari 2005 dan ook terecht gehandhaafd.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

BKH 081106