Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4324

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
06-216 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Verzwegen gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/216 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 19 december 2005, 04/938

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede

(hierna: College)

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente Enschede.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) ontving sedert 1 juli 1985 bijstand laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Uit de bevindingen van een in maart 2001 door de Sociale Recherche van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling Enschede ingesteld onderzoek, heeft het College de conclusie getrokken dat [betrokkene] sinds 1 januari 1998 met appellant een gezamenlijke huishouding heeft aanvaard.

Bij besluit van 20 april 2001 is de bijstand van [betrokkene] over de periode van 1 januari 1998 tot en met 28 februari 2001 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat zij heeft nagelaten aan het College te melden dat zij in die periode een gezamenlijke huishouding voerde met appellant. Tevens zijn de kosten van bijstand over deze periode tot een bedrag van

€ 39.424,53 (f 86.880,23) van [betrokkene] teruggevorderd.

Bij hetzelfde besluit van 20 april 2001 heeft het College de ten behoeve van [betrokkene] gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1999 tot en met

28 februari 2001 met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw tot een bedrag van € 27.118,42 (f 59.761,14) mede van appellant teruggevorderd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is, voor zover hier van belang, bij besluit van

4 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met beslissingen inzake griffierecht en proceskosten - het beroep tegen het besluit van 4 december 2003 gegrond verklaard, dat besluit wegens een ondeugdelijke motivering vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In artikel 84, tweede lid, van de Abw is bepaald dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de in geding zijnde periode met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Abw heeft gevoerd.

Artikel 3, vierde lid, van de Abw bepaalt dat een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig wordt geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

(…)

b. uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander.

Aangezien vaststaat dat uit de relatie van [betrokkene] en appellant een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of [betrokkene] en appellant hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat aan dit criterium is voldaan. Hij heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de door [betrokkene] en appellant op

14 maart 2001 ten overstaan van de sociale recherche afgelegde en (zonder voorbehoud) ondertekende verklaringen dat zij vanaf 1 januari 1998 hebben samengewoond op het adres Buizerdstraat 55 te Enschede. Deze verklaringen vinden bovendien steun in andere onderzoeksgegevens, waarvoor de Raad naar de aangevallen uitspraak verwijst.

De Raad voegt daar nog aan toe dat - naar vaste jurisprudentie van de Raad - ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen mag worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring. Niet gebleken is dat de eerste verklaring van appellant onder ontoelaatbare druk is afgelegd, feitelijk onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven.

Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat appellant en [betrokkene] ten tijde in geding een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van de Abw. Nu gelet op de gedingstukken voorts vaststaat dat de verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [betrokkene] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Het College was derhalve gehouden de ten onrechte aan [betrokkene] verleende bijstand tot een bedrag van € 27.118,42 (f 59.761,14) mede van appellant terug te vorderen.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat het College niet bevoegd was geheel of gedeeltelijk van medeterugvordering van appellant af te zien.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

BKH 081106

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.