Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4203

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
04-4503 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4503 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2004, 2003/1308 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Belanghebbende: [belanghebbende].

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Maastricht, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De voormalige werkgever van appellant, hierboven aangeduid als belanghebbende, heeft desgevraagd schriftelijk medegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen. Appellant heeft de Raad geen toestemming gegeven om zijn medische gegevens ter kennis te brengen van belanghebbende.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Nijsten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Mostert. Belanghebbende is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het Uwv terecht met ingang van 9 september 2003 de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, heeft ingetrokken.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van

29 juli 2003 (hierna: het bestreden besluit), waarbij het Uwv de WAO-uitkering van appellant heeft ingetrokken, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat de rechtbank appellant in de aan dit geding voorafgaande procedure met registratienummer 2001/1314 in de gelegenheid heeft gesteld als mede-belanghebbende aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid appellant om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft de rechtbank in de gedingstukken omtrent de gezondheidstoestand van appellant onvoldoende aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant op onjuiste wijze zouden zijn vastgesteld. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts, na kennis te hebben genomen van het rapport van de door het Uwv geraadpleegde psychiater J.D.J. Tilanus van 20 september 2002, heeft aangegeven dat er ten aanzien van appellant geen psychiatrische ziekte valt aan te wijzen. De rechtbank heeft geen reden gezien om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden, en doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen van deze arts. Ook heeft de rechtbank nog opgemerkt dat haar niet is gebleken dat psychiater Tilanus niet alle relevante bijzonderheden met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant in zijn beoordeling zou hebben betrokken, en daarenboven geen reden gezien om te twijfelen aan de objectiviteit van deze deskundige. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat appellant in beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die steun zouden kunnen verlenen aan de opvatting van appellant dat deze psychiater de psychische beperkingen van appellant onjuist heeft beoordeeld. De rechtbank heeft zich eveneens verenigd met het oordeel van het Uwv dat appellant met zijn medische beperkingen wederom in staat moest worden geacht tot het verrichten van zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur. Dientengevolge had appellant geen relevant verlies aan verdiencapaciteit in de zin van de WAO, zodat het Uwv, gelet op artikel 36b van de WAO, de WAO-uitkering van appellant met ingang van 10 (lees: 9) september 2003 kon beƫindigen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank alsmede de overwegingen, zoals hierboven weergegeven, die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid. Met betrekking tot hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd merkt de Raad op dat uit de stukken blijkt dat zowel belanghebbende als de rechtsvoorganger van het Uwv appellant schriftelijk bericht hebben gezonden over het door belanghebbende aangetekende bezwaar tegen de toekenning van de WAO-uitkering aan appellant met ingang van

23 juli 1999. Het Uwv heeft weliswaar verzuimd om appellant met toepassing van artikel 7:2, eerste lid, dan wel artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, doch aan dit gebrek is in de beroepsfase tegemoetgekomen doordat de rechtbank appellant bij brief van 8 oktober 2001 met toepassing van artikel 8:26 van de Awb in de gelegenheid heeft gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Dat appellant van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, naar hij ter zitting van de rechtbank heeft verklaard omdat hij toen onder bewind was gesteld en geen post ontving, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Daarnaast heeft appellant in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt naar voren te brengen.

Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij op en na 11 augustus 1999 volledig arbeidsongeschikt was, wijst de Raad erop dat hier de beƫindiging van de WAO-uitkering met ingang van 9 september 2003 in geding is. Het Uwv heeft dit besluit onderbouwd met een psychiatrische expertise. Appellant heeft daar geen medische gegevens tegenovergesteld die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat appellant op de datum hier in geding als gevolg van ziekte of gebrek arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en M.C.M. van Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.

MK