Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
04-6550 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6550 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 19 november 2004, 04/959 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 8 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.G.H.M. de Glas, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 27 oktober 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. van de Berkt.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met de vaststelling dat appellante op 31 januari 2000 begonnen is met haar werk als bejaardenverzorgster en dat zij op 4 juli 2000 is uitgevallen met psychische klachten. Het Uwv heeft aan het bij de rechtbank bestreden besluit van 28 april 2004 ten grondslag gelegd artikel 30, eerste lid en onder a WAO. Hierin is bepaald dat het Uwv bevoegd is met betrekking tot uit deze wet voortvloeiende aanspraken geheel of ten dele, tijdelijk of blijvend, buiten aanmerking te laten algehele arbeidsongeschiktheid welke bestond op het tijdstip dat de verzekering een aanvang nam.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard en het besluit van 28 april 2004 in stand heeft gelaten.

De Raad ziet zich gelet op de in het besluit van 28 april 2004 gekozen afwijzingsgrond gesteld voor de vraag of appellante op 31 januari 2000 (datum aanvang verzekering) volledig arbeidsongeschikt was. De Raad beantwoordt die vraag op basis van de processtukken en het verhandelde ter zitting bevestigend. De Raad verwijst hiervoor naar de brief van H. Berendse, Sociaal psychiatrisch verpleegkundige, werkzaam bij GGZ te Nijmegen van 22 april 2002. Hierin staat vermeld dat appellante een lange hulpverleningsgeschiedenis heeft. Er is sprake van een schizotypische persoonlijkheidsstoornis en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Reguliere arbeid lijkt volgens Berendse te hoog gegrepen. De Raad acht van belang dat vermeld is dat de persoonlijkheidsstoornissen begonnen zijn in de vroege volwassenheid. Hierin ziet de Raad een aanknopingspunt dat al bij aanvang van de verzekering appellante niet in staat was tot het verrichten van arbeid. De stelling van appellante dat deze brief niet in de beoordeling meegenomen mag worden omdat het afkomstig is van een niet-medicus, volgt de Raad niet. Appellante heeft de brief zelf in de procedure gebracht en de brief geeft een beeld van de medische situatie waarin appellante in de periode van de datum in geding en ruim daarvoor verkeerde.

De Raad verwijst ook naar de brief van appellante van 19 juli 2001, waarin zij schrijft dat het huishouden en de opvoeding van haar kinderen al genoeg van haar vergt, dat 38 uur per week werken onmogelijk is, dat zelfs de helft van dat aantal uren werken onmogelijk is en dat ze bovendien smetvrees, diverse angsten en fobie├źn heeft.

Voorts ziet de Raad ook in de verklaring van appellante tijdens de hoorzitting op 22 januari 2002 aanwijzingen voor het standpunt van het Uwv dat appellante op 31 januari 2000 geheel arbeidsongeschikt was. Appellante heeft verklaard de laatste jaren net met moeite het hoofd boven water te kunnen houden en al tien jaar in gevecht met de hele wereld te zijn.

Ten slotte acht de Raad de verklaring die appellante ter zitting van de Raad heeft afgelegd van belang. Appellante heeft verklaard dat zij regelmatig contact heeft gehad met mevrouw Berendse die gezegd heeft dat tijdens werk en stress haar persoonlijkheidsstoornis naar buiten komt. Tevens heeft appellante aangegeven dat zij niet wilde werken maar dat dat moest van haar curator.

Uit het vorenstaande volgt dat de Raad de stelling van appellante dat het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust niet kan volgen. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd blijkt geenszins dat de situatie als bedoeld in artikel 30, eerste lid en onder a van de WAO zich in haar geval niet voordoet. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 december 2006.

(get.) J. Brand.

(get.) M.C.T.M. Sonderegger.

MK