Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
05-6882 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering. Inkomen uit arbeid niet gemeld. Boete wegens schending inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6882 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 oktober 2005, 04/3079 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 1 januari 2004 heeft het College het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. In deze uitspraak wordt onder het College tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Darwisch-Willeboordse, werkzaam bij de gemeente ’s-Gravenhage.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontving sedert 1 april 2002 van het College periodieke bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Deze uitkering is per 1 juli 2003 beëindigd.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellant onder meer in 2002 werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen, heeft het College een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek is onder meer looninformatie ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2].

Bij besluit van 7 oktober 2003 heeft het College de aan appellant verleende bijstand over de periode van 1 april 2002 tot en met 30 juni 2003 herzien en een bedrag van € 3.374,44 van hem teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant door hem tijdens deze periode ontvangen inkomsten uit arbeid niet aan het College heeft gemeld. Bij besluit van 15 oktober 2003 is hem voorts wegens schending van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van € 352,--.

Bij besluit van 28 mei 2004 is het tegen het besluit van 7 oktober 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij besluit van 21 juni 2005 is het tegen het besluit van 15 oktober 2003 gerichte bezwaar gegrond verklaard en de boete nader vastgesteld op € 145,53.

Bij de aangevallen uitspraak zijn de tegen de besluiten van 28 mei 2004 en 21 juni 2005 ingediende beroepen ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Hij stelt daarbij in het geheel niet voor [bedrijf 1] te hebben gewerkt en betwist voorts (reeds) in 2002 voor [bedrijf 2] werkzaamheden te hebben verricht. Ter staving van zijn standpunt heeft appellant afschriften van zijn girorekening bij de Postbank over de periode 2002-2003 aan de Raad gezonden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst vast dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de herziening en terugvordering van verleende bijstand. Het hoger beroep spitst zich verder toe op de vraag of het College bij de herziening en terugvordering terecht rekening heeft gehouden met de door respectievelijk [bedrijf 1] en [bedrijf 2] over april 2002 en juli 2002 verstrekte looninformatie, waaruit naar voren komt dat aan appellant € 571,-- respectievelijk € 62,50 is betaald/overgemaakt. De Raad merkt in dat verband nog op dat het blijkens de looninformatie van [bedrijf 2] over juni 2002 betaalde loon van € 714,-- voor de beoordeling van het recht op bijstand van appellant buiten beschouwing kan blijven nu appellant, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, over die maand reeds uit anderen hoofde inkomsten heeft ontvangen die de geldende bijstandsnorm overschrijden.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 23 februari 2005, LJN: AS9535) is het in een geval als het onderhavige, waarbij uit gegevens van de Belastingdienst in combinatie met de door de werkgever verstrekte looninformatie naar voren komt dat de betrokkene in de betreffende periode heeft gewerkt voor die werkgever, aan de betrokkene om aan te tonen althans aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant daarin niet is geslaagd. Appellant heeft weliswaar in hoger beroep alsnog afschriften overgelegd van zijn Postbank-girorekening 6063244, waarop het loon van [bedrijf 2] werd overgemaakt, maar daarbij ontbreekt bladnr. 1 van volgnr. 9 dat ziet op de in dit verband cruciale periode van 20 juni 2002 tot 18 juli 2002. Overigens blijkt uit de gedingstukken tevens dat appellant ten tijde in geding beschikte over nog een andere girorekening met nr. 7015989, waarvan geen afschriften in het geding zijn gebracht. Voorts kan er niet aan worden voorbijgezien dat blijkens de looninformatie van [bedrijf 1] het over de periode van 1 tot en met 30 april 2002 verschuldigde loon per kas aan appellant is uitbetaald. De Raad voegt hieraan nog toe dat niet is gebleken dat appellant [bedrijf 2] en/of [bedrijf 1] in of buiten rechte heeft aangesproken omtrent de verstrekte loongegevens en/of dat op basis daarvan alsnog loonbetaling is gevorderd. Evenmin is gebleken dat appellant omtrent het gestelde misbruik van zijn sofi-nummer aangifte heeft gedaan bij de politie. Ten slotte kan aan de eerst na de zitting verzonden en ontvangen fax van GDCC bv, inhoudende dat appellant in 2002 nog niet bij dat bedrijf in dienst was, niet die betekenis worden gehecht die appellant daaraan toegekend wil zien, reeds omdat dit nadere stuk buiten de in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn is ingezonden.

Gelet op het voorgaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat appellant ook in april 2002 en juli 2002, zonder daarvan mededeling te doen aan het College, werkzaamheden voor [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Door deze inkomsten niet op de voorgeschreven wijze via het inlichtingenformulier of anderszins aan het College te melden heeft appellant de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan aan appellant een te hoog bedrag aan bijstand is verleend.

Het College was dan ook verplicht met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over te gaan tot herziening van het recht op bijstand, ook over april 2002 en juli 2002. Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voor- waarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat het College tevens tot terugvordering diende over te gaan. In hetgeen van de zijde van appellant naar voren is gebracht ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan het College bevoegd zou zijn geheel of ten dele van intrekking of terugvordering af te zien.

De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

GG021106