Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ4060

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
11-12-2006
Zaaknummer
06-248 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten verbonden aan de leges afgewezen. Onderhavige kosten worden als niet noodzakelijk in de zin van artikel 35 van de WWB aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/248 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 2 januari 2006, 05/646 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk (hierna: College)

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellant is verschenen. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft op 16 maart 2004 bij het College een aanvraag om bijzondere bijstand ingediend voor de kosten verbonden aan de leges voor aan hem over 2000 tot en met 2003 door de gemeente Lochem verleende ventvergunningen, in totaal € 826,-- belopende.

Bij besluit van 25 maart 2004 heeft het College deze aanvraag afgewezen op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 van de WWB.

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft het College het tegen het besluit van 25 maart 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het tegen het besluit van 17 mei 2005 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd paragraaf 2.2, recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige kosten als niet noodzakelijk in de zin van artikel 35 van de WWB moeten worden aangemerkt. Vaststaat immers dat appellant over de jaren 2000 tot met 2003 niet daadwerkelijk bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid, waartoe de verleende vergunningen kennelijk strekten. Ook anderszins is niet gebleken dat de betreffende kosten een in objectieve zin noodzakelijk karakter droegen. Aan de vraag of ter zake (tevens) sprake was van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten komt de Raad dan ook niet toe. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat de aanvraag om bijzondere bijstand in bovenvermelde kosten terecht is afgewezen. De Raad laat dan nog daar dat hier strikt genomen moet worden gesproken van schulden waarvoor, gelet op het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, in beginsel geen bijstand wordt verleend.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) R..H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink

GG021106