Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
06-831 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingangsdatum van de toegekende bijstandsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/831 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 januari 2006, reg.nr. 4/6627 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College).

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006. Appellante en haar gemachtigde zijn - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft het College de bijstand van appellante aanvankelijk met ingang van 15 januari 2004 beƫindigd (lees: ingetrokken) en nadien bij besluit van 28 april 2004 de ingangsdatum van de intrekking alsnog bepaald op 28 januari 2004. Appellante heeft tegen de intrekking geen rechtsmiddel aangewend.

Op 10 mei 2004 heeft appellante zich gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (hierna: CWI) met een verzoek om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 1 februari 2004.

Bij besluit van 20 augustus 2004 heeft het College appellante met ingang van 10 mei 2004 bijstand toegekend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Met betrekking tot de ingangsdatum heeft het College overwogen geen dringende redenen aanwezig te achten de bijstand toe te kennen over een periode voorafgaand aan de datum van melding bij het CWI.

Bij besluit van 9 december 2004 heeft het College het bezwaar van appellante tegen de in het besluit van 20 augustus 2004 vermelde ingangsdatum van de bijstand ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 december 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Voor de vaststelling van de ingangsdatum tot toekenning van bijstand dient met toepassing van artikel 43 en 44 van de WWB te worden beslist. In dat kader is van betekenis de vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 63a, 67 en 68a van de Algemene bijstandswet (Abw) (zie onder meer de uitspraak van 8 maart 2005, LJN AT0209). Daarin is neergelegd dat in beginsel geen bijstand wordt verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden, dan wel in voorkomende gevallen de bijstandsaanvraag is ingediend, en dat van dit uitgangspunt slechts kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.

In zijn uitspraak van 21 maart 2006, LJN AV8690, heeft de Raad beslist dat die rechtspraak onder de WWB haar gelding blijft behouden. De artikelen 41, 43 en 44 van de WWB luiden immers in essentie niet anders dan de artikelen 63a, 67 en 68a van de Abw. Ook is niet gebleken dat de wetgever heeft beoogd ter zake een andere regeling te treffen.

Vaststaat dat appellante zich op 10 mei 2004 bij het CWI heeft gemeld voor het aanvragen van bijstand. Van een eerdere aanvraag of actie van de zijde van appellante die tot het innemen van een nieuwe aanvraag had moeten leiden is de Raad niet gebleken. Dat zij buiten staat is geweest om eerder een aanvraag in te dienen dan wel als gevolg van onjuiste informatie daarvan is afgehouden heeft appellante niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling dat zij vanaf de datum van opschorting van het recht op bijstand per 15 januari 2004 nog aanspraak kan maken op uitbetaling van bijstand vormt, wat daarvan zij, geen aanleiding om in afwijking van de hoofdregel over te gaan tot bijstandsverlening met terugwerkende kracht. Ook overigens is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden die bijstandsverlening met terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. De Raad merkt in dit verband nog op dat hetgeen appellante verder omtrent de opschorting en daarop volgende intrekking van de bijstand heeft aangevoerd buiten de omvang van dit geding om gaat.

Het vorenstaande betekent dat ook naar het oordeel van de Raad het College de ingangsdatum van de bijstand terecht op 10 mei 2004 heeft gesteld, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.