Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3945

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
03-4488 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

03/4488 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 24 juli 2003, 03/259 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn broer, [J. V.]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Belopavlovic.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Desgevraagd heeft het Uwv nadere schriftelijke informatie verstrekt.

Nadat partijen daarvoor toestemming hadden gegeven heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, laatstelijk werkzaam als kwekerijmedewerker, is op 26 februari 1990 uitgevallen met maag- en schouderklachten. In verband daarmee is hem in 1991, onder meer, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van een vijfdejaars herbeoordeling is appellant op 5 januari 2001 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze concludeerde dat de ernst van de klachten van appellant gerelateerd is aan stress en dat sinds een jaar ook sprake was van rugklachten. Zij stelde een belastbaarheidspatroon op. Vervolgens selecteerde een arbeidsdeskundige functies en berekende het verlies aan verdiencapaciteit van appellant op 38,9%. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 21 februari 2001 de WAO-uitkering van appellant per 14 april 2001 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.

In het kader van de behandeling van het bezwaar is appellant onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts, die op basis van dossieronderzoek de voor appellant vastgestelde belastbaarheid bevestigde. In het kader van een nader onderzoek is appellant onderzocht door bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers. Deze heeft, mede op basis van informatie van de huisarts van appellant, de beperkingen van appellant op de aspecten gebogen werken, kort cyclisch buigen en torderen, zitten en staan aangescherpt en een nieuw belastbaarheidspatroon opgesteld. Na een nieuwe functieselectie berekende bezwaararbeidsdeskundige H. Rosing op basis van de functies printplatenmonteur (fb-code 8538), naaister-stikster meubelbekleding (fb-code 7964) en metaalperser-bediende (fb-code 8364) het verlies aan verdiencapaciteit op 42,6%.

Omdat in bezwaar zowel de medische als de arbeidskundige onderbouwing van de schatting was gewijzigd, besloot het Uwv de herziening van de WAO-uitkering van appellant per een latere datum te effectueren. Bij besluit van 12 februari 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar gegrond verklaard, appellant per

14 april 2001 ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht en de WAO-uitkering per 14 maart 2003 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 35 tot 45%.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Appellant stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat de geselecteerde functies voor hem te belastend zijn.

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldig medisch onderzoek. Bezwaarverzekeringsarts Egbers heeft een uitgebreid en gedegen aanvullend onderzoek verricht. Egbers heeft voor appellant aanzienlijke fysieke en psychische beperkingen aangenomen. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd die twijfel zou kunnen wekken aan de voor hem vastgestelde belastbaarheid. Naar het oordeel van de Raad berust het bestreden besluit dan ook op een adequate medische onderbouwing. Gelet hierop ziet de Raad geen aanleiding om appellant door een onafhankelijk medisch deskundige te laten onderzoeken.

De Raad is voorts van oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant geschikt kunnen worden geacht. Voor zover op de verwoordingen functiebelasting van deze functies door middel van asterisken is aangegeven dat op die aspecten de belasting in de functie de belastbaarheid van appellant overschrijdt, is de Raad van oordeel dat de aanvaardbaarheid van die overschrijdingen door Egbers afdoende is toegelicht.

Ten aanzien van de actualiteit van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies overweegt de Raad dat het Uwv thans voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze functies ten tijde in geding actueel waren.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de onderhavige schatting ook vanuit arbeidskundig oogpunt de toets van de Raad kan doorstaan. Gelet hierop kan het bestreden besluit in stand blijven. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal.