Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3913

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
04/6543 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Zijn de functionele mogelijkheden van betrokkene juist vastgesteld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/6543 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 november 2004, 04/173 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2006. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk sinds 21 februari 2000 op uitzendbasis werkzaam als haringschoonmaakster. Zij is op

10 november 2000 uitgevallen met psychische klachten. Bij besluit van 10 oktober 2001 heeft het Uwv met ingang van

9 november 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

De rechtbank Rotterdam heeft de beslissing op bezwaar van 10 april 2002, waarbij het Uwv het tegen voornoemd primair besluit gemaakte bezwaar ongegrond had verklaard, op arbeidskundige gronden vernietigd.

Hierop hebben de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink en de bezwaararbeids-deskundige F. Oudmaijer aanvullend gerapporteerd. Het Uwv heeft op 14 januari 2004 - zoals was opgedragen - een nieuwe beslissing op bezwaar (hierna: het bestreden besluit) genomen, waarbij appellantes bezwaar gegrond is verklaard en haar arbeidsongeschiktheidsuitkering nader is vastgesteld, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

De rechtbank Rotterdam heeft het tegen dat bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Gemachtigde van appellante heeft het hoger beroep (mede) doen steunen op een (nadere) rapportage van het Instituut Psychosofia d.d. 5 januari 2005.

Het geding in hoger beroep is beperkt tot de vraag of appellantes functionele mogelijkheden juist zijn vastgesteld en of appellante met inachtneming van die mogelijkheden in staat is om de geduide functies uit te oefenen.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar het standpunt van verweerder en vaste jurisprudentie van de Raad op dit punt, overwogen dat de rapportages van Instituut Psychosofia - in medisch opzicht - geen aanknopingspunten kunnen bieden voor de beantwoording van de vraag of appellante op de datum in geding op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten niet in staat was de werkzaamheden te verrichten die zijn verbonden aan de functies die aan haar als geschikt zijn voorgehouden. Appellante heeft terecht gesteld dat de rapportages van het Instituut Psychosofia andere dan medische gegevens kunnen bevatten waarmee de (bezwaar)verzekeringsarts bij de vaststelling van de medische beperkingen en het opstellen van het belastbaarheidspatroon rekening dient te houden, aldus de rechtbank. In dit geval is de rechtbank evenwel niet van dergelijk feitelijke gegevens gebleken, terwijl bovendien de bezwaarverzekeringsarts de inhoud van het rapport van het Instituut Psychosofia heeft meegenomen in zijn beoordeling.

Hetgeen van de zijde van appellante in hoger beroep is aangevoerd, geeft de Raad geen enkele aanleiding de aangevallen uitspraak rechtens voor onjuist te houden.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.C. Stam en J. Brand als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 december 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) W.R. de Vries.