Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3907

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
08-12-2006
Zaaknummer
04-4776 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is terecht vastgesteld dat betrokkene op de datum in geding geen recht meer had op ziekengeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4776 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 augustus 2004, 03/2960 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 6 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2006.

Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge voornoemd.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door WE.L.J. Weltevrede

II. OVERWEGINGEN

Appellante heeft van 24 februari 2002 tot en met 25 augustus 2002 via een uitzendbureau gewerk als medewerkster van een stekbedrijf. Zij heeft zich op 25 november 2002 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet wegens psychische klachten ziek gemeld. Op het spreekuur van de verzekeringsarts van 25 juni 2003 maakte appellante, zoals is aangetekend op het Afschrift Medische Kaart, geen gespannen of depressieve indruk. Bij het onderzoek vond de verzekeringsarts geen afwijkingen. Ook vond de verzekeringsarts geen reden om appellante ten gevolge van haar voeteczeem arbeidsongeschikt te achten.

Appellante werd met ingang van 26 juni 2003 hersteld verklaard.

Bij besluit van 1 juli 2003 is vastgesteld dat appellante met ingang van 26 juni 2003 geen recht meer had op ziekengeld.

In de bezwaarfase is appellante gezien door bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink, die mede gelet op van de Riagg-Rijnmond Noord West verkregen inlichtingen, waaruit bleek dat ten aanzien van appellante een Gaf-score van 50-60 was aangenomen, geen reden zag om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts.

Bij besluit van 27 augustus 2003 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2003 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsarts. Naar het oordeel van de rechtbank hadden de betrokken verzekeringsartsen voldoende aandacht besteed aan de door appellante genoemde klachten en was voldoende acht geslagen op de informatie van de behandelend sector. De rechtbank heeft verder onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad overwegingen gewijd aan de betekenis welke moet worden toegekend aan rapporten van het Instituut Psychosofia.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De in hoger beroep overgelegde brief van 3 september 2004 van orthopedisch chirurg

O. Schreuder bevat geen gegevens die aanleiding geven voor een ander oordeel. In navolging van de rechtbank wijst de Raad verder nog op de brief van 3 juni 2004 waarin bezwaarverzekeringsarts Weegink – naar het oordeel van de Raad afdoende – heeft uiteengezet dat ook het in eerste aanleg overgelegde huisartsjournaal geen gezichtspunten bevat welke voor de datum in geding van doorslaggevende betekenis zijn.

De Raad ziet dan ook geen grond voor een nader medische onderzoek.

Verder merkt de Raad nog op dat een (bezwaar)verzekeringsarts werkt onder verantwoordelijkheid van het Uwv, zodat artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hier niet van toepassing is.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 december 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) A. van Netten.