Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3706

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
04/4829 WAO, 05/5426 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schatting WAO-uitkering. Weigering verhoging WAO-uitkering op de datum in geding. Juistheid belastbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/4829 + 05/5426 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 23 juli 2004, 03/1276 (hierna: aangevallen uitspraak van 23 juli 2004) en de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 4 augustus 2005, 04/1175 (hierna: aangevallen uitspraak van 4 augustus 2005),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 5 december 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft tegen de aangevallen uitspraak van 23 juli 2004 en tegen de aangevallen uitspraak van 4 augustus 2005 hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 oktober 2006.

Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. S.A. Wilman, advocaat te Leeuwarden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door P.J. Langius.

II. OVERWEGINGEN

04/4829 WAO

In deze zaak dient de Raad de vraag te beantwoorden of het Uwv naar aanleiding van een verzoek om herziening van appellante van 3 oktober 2002 terecht zijn besluit van 18 februari 2003 heeft gehandhaafd waarbij onder meer is geweigerd de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellante, die tot dan toe was berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, te verhogen wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid.

Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat de belastbaarheid van appellante ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts F. Knol in december 2002 niet was gewijzigd ten opzichte van de datum 20 december 2000, met ingang van welke datum haar uitkering ingevolge de WAO is herzien van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% naar 45 tot 55%.

Appellante stelt zich op het standpunt dat zij door chronische vermoeidheid niet kan werken. Uit de medische gegevens die zij heeft overgelegd blijkt, onder meer, dat een internist geen afwijkingen heeft vastgesteld en dat voor de vermoeidheidsklachten geen verklaring is gevonden.

Al eerder heeft de Raad overwogen dat in artikel 18 van de WAO -voor zover in dit verband van belang- is bepaald dat arbeidsongeschikt is degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring met arbeid gewoonlijk verdienen.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient dit artikel aldus uitgelegd te worden dat slechts dan sprake is van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten.

De eigen opvatting van appellante dat zij door chronische vermoeidheid niet kan werken is daarom onvoldoende grond om arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO aan te nemen.

Voorts is niet gebleken van het bestaan van een naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting, van bijvoorbeeld een behandelend arts, dat appellante, ook al is niet geheel duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek haar onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven, als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

Reeds daarom is niet voldaan aan de (minimum) eis om een bijzonder geval aan te nemen, als ontwikkeld in de jurisprudentie van de Raad met betrekking tot het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip.

Wat betreft het arbeidskundig aspect van de onderhavige beoordeling overweegt de Raad dat uit een arbeidsdeskundig onderzoek dat betrekking had op een datum kort na de hier in geding zijnde datum, blijkt dat appellante bij gelijkblijvende medische belastbaarheid voor 25 tot 35 % arbeidsongeschikt zou zijn op loonkundige gronden, zodat er in elk geval geen reden was om de uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 18 februari 2003 te verhogen en die verhoging daarom terecht is geweigerd.

De Raad merkt nog op dat de uit de gedingstukken blijkende opvatting van een of meer arbeidsdeskundigen dat een eenmaal vastgestelde urenomvang van de maatmanarbeid en een eenmaal vastgesteld maatmaninkomen, ook al zouden deze feitelijk onjuist zijn vastgesteld, ook zouden moeten gelden met betrekking tot latere tijdvakken of tijdstippen waarover de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de WAO moet worden vastgesteld, onjuist moet worden geacht.

Het systeem van de WAO brengt met zich dat een beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per tijdstip of tijdvak steeds opnieuw dient plaats te vinden.

In het onderhavige geval is niet betwist het in hoger beroep door het Uwv onderbouwd ingenomen standpunt dat het voor het uiteindelijk resultaat van de schatting geen verschil maakt als van de juiste urenomvang van de maatmanarbeid, zulks in verband met de selectie van geschikte functies aan de hand van het Besluit Uurloonschatting, en het juiste maatmaninkomen wordt uitgegaan.

Terecht heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 februari 2003 bij besluit van 8 oktober 2003 in zoverre ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak van 23 juli 2004 komt voor bevestiging in aanmerking.

05/5426 WAO

In deze zaak moet de Raad de vraag beantwoorden of de uitkering ingevolge de WAO van appellante terecht bij besluit van

5 april 2004 met ingang van 6 juni 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% en bij besluit op bezwaar van 6 oktober 2004 met ingang van 7 december 2004 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van

15 tot 25%.

De Raad heeft geen reden tot twijfel aan de juistheid van de belastbaarheid van appellante zoals die door de verzekeringsarts L. Das in februari 2004 is vastgesteld. Ook deze verzekeringsarts heeft na eigen onderzoek aangegeven dat de belastbaarheid van appellante niet noemenswaardig was gewijzigd.

Ook in deze zaak heeft appellante geen medische gegevens ingebracht die steun kunnen geven aan haar standpunt dat zij vanwege chronische vermoeidheid niet kan werken.

De Raad verwijst wat betreft zijn beoordeling van het medisch aspect overigens naar zijn overwegingen in de zaak

04/4829 WAO.

Wat betreft het arbeidskundig aspect is voor de Raad onder meer aan de hand van het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige F. Schrijer van 19 juli 2004 komen vast te staan dat appellante op de data in geding voor 15 tot 25% arbeidsongeschikt was. Bij de vorming van dit oordeel heeft de Raad rekening gehouden met het reeds hiervoor weergegeven standpunt van het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep over de houdbaarheid van de schatting aan de hand van de juiste omvang van maatmanarbeid en maatmaninkomen.

Derhalve komt ook de aangevallen uitspraak van 4 augustus 2005 voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 23 juli 2004 en de aangevallen uitspraak van 4 augustus 2005.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en M.C.M. van Laar en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 december 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) M. Gunter.