Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3648

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
05-6641 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herhaalde aanvraag WW-uitkering. Geen nieuwe feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6641 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 25 oktober 2005, 05/2637 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P-P.F. Tummers, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Tummers voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende, als vaststaande aangenomen, feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 6 april 2004 heeft het Uwv de aan appellant krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkering, die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 juni 2004 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant heeft vervolgens een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd per 3 juni 2004. Op de aanvraag heeft appellant op de vraag of hij per laatstgenoemde datum beschikbaar is voor werk ontkennend geantwoord en aangegeven: “Ik ben nog ziek. Ik gebruik veel medicijnen en spuit 4x per dag” en ook de vraag of hij heeft gesolliciteerd sinds hij wist dat hij werkloos zou worden heeft appellant ontkennend beantwoord met de toelichting: “omdat ik ziek ben”. Bij besluit van

22 juni 2004 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een WW-uitkering afgewezen op de grond dat hij niet beschikbaar is voor werk. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.2. Nadat het bezwaar van appellant tegen de herziening van de WAO-uitkering door het Uwv bij besluit van 14 oktober 2004 ongegrond was verklaard, heeft appellant op 28 oktober 2004 wederom een WW-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft bij besluit van 24 november 2004, er van uitgaande dat appellant met ingang van 15 oktober 2004 beschikbaar is voor werk, meegedeeld dat appellant met ingang van die datum geen WW-uitkering kan krijgen omdat hij in de periode van 39 weken voorafgaand aan die datum niet in tenminste 26 weken heeft gewerkt, waarbij rekening is gehouden met de hele weken waarin appellant ziek is geweest en een WAO-uitkering heeft ontvangen. Ook tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.3. Op 31 maart 2005 heeft appellant wederom een WW-uitkering aangevraagd met ingang van 3 juni 2004 en daarbij gesteld dat hij vanaf die datum beschikbaar was voor werk. Bij besluit van 5 april 2005 heeft het Uwv de aanvraag afgewezen op de grond dat er op 24 juni 2004 al een beslissing is genomen over het recht op WW-uitkering en dat er niet is gebleken dat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn waardoor de eerder genomen beslissing moet worden herzien. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 juli 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij overwogen dat hetgeen door appellant in bezwaar naar voren is gebracht niet kan worden aangemerkt als een nieuw feit of een omstandigheid op grond waarvan het besluit van 22 juni 2004 zou moeten worden herzien, zodat, gelet op artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) terecht is volstaan met een verwijzing naar de laatstgenoemde beslissing. Tot slot, gebruik makend van de bevoegdheid om ondanks het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden te toetsen of het besluit van 22 juni 2004 zou moeten worden herzien, heeft het Uwv overwogen dat niet is aangetoond dat appellant daadwerkelijk beschikbaar was voor arbeid vanaf 3 juni 2004.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat het Uwv de aanvraag van 31 maart 2005 terecht heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag en geoordeeld dat hetgeen door appellant naar voren is gebracht terecht niet door het Uwv is aangemerkt als nieuwe feiten of omstandigheden, zodat door het Uwv op goede grond toepassing is gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. In hetgeen door appellant is gesteld ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van de in laatstgenoemd artikel gegeven bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

3.1. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat er wel sprake is van een nieuw feit omdat bij het besluit van 22 juni 2004 geen rekening is gehouden met het feitelijk gegeven dat hij wel heeft gesolliciteerd. Appellant heeft daartoe gesteld dat hij bij uitzendbureaus is langs geweest, alsmede bij een C1000 en een slachthuis, welke stelling overigens niet met stukken kan worden onderbouwd.

3.2. In verweer heeft het Uwv zich achter het oordeel van de rechtbank, neergelegd in de aangevallen uitspraak, gesteld.

4. Ter beoordeling staat thans of de Raad de rechtbank kan volgen in haar oordeel over het bestreden besluit. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, waarbij hij zich stelt achter de overwegingen die de rechtbank in de aangevallen uitspraak aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Ook de Raad ziet in hetgeen door appellant is gesteld, nog daargelaten of de beweerdelijke sollicitaties genoegzaam aannemelijk kunnen worden gemaakt, geen nieuw gebleken feit of omstandigheid in de zin van artikel 4:6 van de Awb.

5. Het hoger beroep van appellant treft geen doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.