Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3639

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-11-2006
Datum publicatie
06-12-2006
Zaaknummer
06-456 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing herzieningsverzoek inzake aanvraag tot erkenning als burgeroorlogsgetroffene. Geen nieuwe feiten of gegevens ingebracht die op onderhavige kwestie een nieuw licht werpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/456 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante] (hierna: appellante),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 30 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 22 december 2005, kenmerk JZ/R60/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2006. Daar is appellante, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, in februari 1998 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan hetgeen haar is overkomen tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indiƫ en de daarop volgende, zogenoemde, Bersiap-periode, te weten:

tijdens de Japanse bezetting:

-het schuilen in een schuilkelder tijdens luchtalarm;

-het meemaken van huiszoekingen door Japanners;

-het afgevoerd zien worden van haar vader na een huiszoeking;

-het zien drijven van lijken in een riviertje;

tijdens de Bersiap-periode:

-het hebben van een continu, algemeen gevoel van angst en onveiligheid.

Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 7 juli 1998, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van 13 oktober 1998, op grond van de overweging dat de door appellante genoemde oorlogservaringen niet zijn aan te merken als calamiteiten in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.

Het door appellante tegen het besluit van 13 oktober 1998 ingestelde beroep heeft de Raad bij zijn uitspraak van 24 januari 2002, nummer 98/8466 WUBO, ongegrond verklaard. In dat verband heeft de Raad het standpunt van verweerster onderschreven dat de gemelde huiszoekingen niet kunnen worden aangemerkt als een handeling of maatregel in de zin van de Wet en voorts dat de overige aan de aanvraag ten grondslag gelegde ervaringen niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht.

In september 2005 heeft appellante zich wederom tot verweerster gewend met het verzoek te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en om toekenning van ondermeer een periodieke uitkering. Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 25 oktober 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wet. Hiertoe heeft verweerster overwogen dat appellante bij het herzieningsverzoek en in de bezwaarprocedure geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld, die, als zij destijds bekend waren geweest, tot een andere beslissing zouden hebben geleid.

De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen appellante in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De hiervoor genoemde aanvraag van september 2005 draagt, naar verweerster terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van de door verweerster eerder genomen, hiervoor genoemde besluiten aangaande de aanvraag van februari 1998.

Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien.

Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt met zich dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen.

Bij een verzoek om herziening als waarvan hier sprake is, staat centraal de vraag of appellante bij haar verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerster bij de besluitvorming over de eerste aanvraag niet bekend waren en waarin verweerster aanleiding had moeten vinden de toen genomen besluiten te herzien. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken.

De Raad stelt vast dat appellante bij haar herzieningsverzoek en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek in wezen heeft herhaald hetgeen zij reeds ter ondersteuning van haar eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellante heeft haar herzieningsverzoek ook niet vergezeld doen gaan van - relevante - gegevens die aan verweerster bij het nemen van eerdergenoemde besluiten niet bekend waren en op onderhavige kwestie een nieuw licht werpen.

Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat, anders dan door appellante is aangevoerd, de aan de aanvraag van februari 1998 ten grondslag gelegde oorlogservaringen zijn getoetst aan het (geheel) van het bepaalde in het eerste lid van artikel 2 van de Wet, waaronder begrepen de door appellante genoemde wetswijziging van 25 februari 1995. Voorzover appellante zich keert tegen de, naar haar mening, gebrekkige motivering van het besluit van 7 juli 1998, merkt de Raad op dat het op de weg van appellante had gelegen deze grief tijdens het bezwaar tegen het besluit van 7 juli 1998 naar voren te brengen en dat die grief thans bij de beoordeling van onderhavig verzoek om herziening niet kan worden betrokken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde terughoudende toetsing van de Raad kan doorstaan en het beroep van appellante ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en C.G. Kasdorp en W.D.M. van Diepenbeek als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 november 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) M.R.S. Bacon.