Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3632

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
06-2129 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering WUBO-uitkering. Geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2129 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 23 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.D. van de Roemer, advocaat te Amsterdam, beroep ingesteld tegen verweersters besluit van 7 maart 2006, kenmerk JZ/P70/2006, ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Appellant is daar in persoon verschenen met bijstand van mr. H.D. van de Roemer voornoemd. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Appellant, die is geboren [in]r 1932 te Soemedang in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in juli 2005 bij verweerster aanvragen ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering, een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet en om voor-zieningen. Deze aanvragen heeft appellant gebaseerd op bij hem bestaande gezondheids-klachten, die hij toeschrijft aan zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië en met name zijn internering in de daarop volgende Bersiapperiode.

Verweerster heeft de aanvragen van appellant afgewezen bij besluit van 25 oktober 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat ten aanzien van appellant niet wordt voldaan aan de ingevolge de Wet geldende eis dat sprake is van lichamelijk en/of psychisch letsel ten gevolge van de ondervonden oorlogscalamiteiten, leidend tot blijvende invaliditeit.

In bezwaar en beroep heeft appellant zich gekeerd tegen verweersters opvatting dat er geen sprake is van tot invaliditeit leidend psychisch of lichamelijk letsel. Appellant doet hierbij aanvoeren dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest daar niet inhoudelijk op zijn verblijf in en de omstandigheden van de verschillende interneringskampen is ingegaan. Gewezen wordt in dit verband op de medische informatie die werd verstrekt door appellants huisarts W.R. van Kempen.

De Raad overweegt als volgt.

De zienswijze van verweerster dat bij appellant geen sprake is van tot invalidering in de zin van de Wet leidend psychisch en/of lichamelijk letsel, is in overeenstemming met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad, welke berusten op een rapport van onderzoek van appellant op 10 oktober 2005 door de arts J.H. Husken, en op van de zogenoemde behandelende sector ontvangen informatie o.a. van appellants huisarts W.R. van Kempen. In dat uitvoerige rapport, waarin wel degelijk aandacht is besteed aan de omstandigheden tijdens appellants internering in de kampen Tasikmalaja, Nagarawangi en te Gombong tijdens de zogenoemde Bersiap-periode, is vermeld dat er geen zodanige psychische verschijnselen (nachtmerries) zijn, dat van een psychiatrisch toestandsbeeld c.q. ziekten of gebreken kan worden gesproken die hebben geleid tot blijvende causale psychische of somatische invaliditeit als gevolg van de gemelde calamiteiten.

Voorts is opgemerkt dat er geen sprake is van een medische reden dat appellant in 1991 met gebruikmaking van een VUT-regeling met zijn werk als controleur in een machinefabriek gestopt is. Met betrekking tot de lichamelijke klachten is beschreven dat de luchtwegproblemen jaren na de oorlog zijn ontstaan en zijn te diagnosticeren als chronische bronchitis en dat de gonarthrosis in de knieën, de rugklachten en de hypertensieklachten geacquireerd zijn op basis van constitutie, leeftijd en familiair bepaald zijn, zodat er geen sprake kan zijn van een relatie met de internering in de Bersiaptijd.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

Op grond van de voorhanden medische gegevens is de Raad niet kunnen blijken van enig aanknopingspunt om te twijfelen aan de juistheid van het door verweerster, in het spoor van haar geneeskundig adviseurs, waarbij rekening is gehouden met de informatie van de huisarts W.R. van Kempen, op basis van die gegevens ingenomen standpunt dat geen sprake is van tot invaliditeit leidend aan de oorlog gerelateerd psychisch en/of lichamelijk letsel. In beroep zijn geen nadere of andere medische verklaringen overgelegd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.