Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3624

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
06-2505 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verschoonbaarheid termijnoverschrijding bezwaarschrift.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:7
Algemene wet bestuursrecht 6:11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2505 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant] (hierna: appellant),

en

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 23 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 25 april 2006, kenmerk JZ/I/90/2006, ten aanzien van hem genomen besluit.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Daar is appellant, zoals bericht, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 mei 2005, op gelijke datum aan appellant verzonden, heeft verweerster afwijzend beslist op een door appellant in november 2004 ingediende aanvraag om ingevolge de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.

Tegen dat besluit heeft appellant bezwaar gemaakt bij schrijven van 8 oktober 2006 dat op 12 oktober 2006 bij verweerster is ingekomen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster appellant in zijn bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de voor de indiening van een bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldende termijn van zes weken. In dat verband is overwogen dat appellant weliswaar had aangegeven dat hij in het buitenland zou zijn, maar is vertrokken zonder zich ervan te overtuigen of met uitstel van de behandeling kon worden ingestemd en zonder een adequate voorziening te treffen voor zijn post, zodat deze omstandigheid de termijnoverschrijding niet kan verontschuldigen.

Ter beantwoording staat de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

Vaststaat dat appellant de wettelijke termijn van zes weken heeft overschreden.

Ter verklaring van de termijnoverschrijding heeft appellant gewezen op zijn naar verweerster gestuurde brief van 6 april 2005 waarin is medegedeeld dat hij gedurende de periode 30 april tot en met 27 september 2005 bij zijn zoon in Canada verblijft.

De Raad overweegt dat termijnen voor het maken van bezwaar en beroep fatale termijnen zijn, bij overschrijding waarvan een niet-ontvankelijkheid dient te worden uitgesproken, tenzij valt te wijzen op een aanvaardbare reden voor verschoonbaarheid als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. Toepassing van artikel 6:11 Awb vraagt een individuele beoordeling in het concrete geval.

In de omstandigheden van het onderhavige geval ziet de Raad aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb.

Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat appellant met zijn brief van 6 april 2005 verweerster vroegtijdig op de hoogte heeft gebracht van zijn langdurige verblijf in het buitenland. Verweerster heeft op die brief in het geheel niet gereageerd. Naar het oordeel van de Raad had het echter op de weg van verweerster gelegen om in contact te treden met appellant teneinde afspraken te maken over de verdere behandeling van de aanvraag en de verzending van post daarover.

Verder is van belang dat appellant na terugkeer uit het buitenland met gerede spoed heeft gereageerd op het besluit van

11 mei 2005.

Gezien het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit te worden vernietigd.

Niet is gebleken van kosten, van de zijde van appellant in beroep gevallen, die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt op het door appellant tegen het besluit van 11 mei 2005 ingediende bezwaarschrift;

Gelast de Pensioen- en Uitkeringsraad aan appellant het griffierecht ad € 35,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en C.G. Kasdorp als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.

(get.) H.R. Geerling-Brouwer.

(get.) J.P. Schieveen.