Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-12-2006
Datum publicatie
04-12-2006
Zaaknummer
06-5610 WWB-VV + 06-4686 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing voorlopige voorziening. Kortsluiting. Onvoldoende objectieve en verifieerbare gegevens over het levensonderhoud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5610 WWB-VV

06/4686 WWB

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),

in verband met het hoger beroep van:

verzoekster

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 11 juli 2006, 06/152 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoekster

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College)

Datum uitspraak: 1 december 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. I.P. Sigmond, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Namens verzoekster is tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2006, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Sigmond. Tevens is daar verschenen de door verzoekster meegebrachte getuige [getuige], wonende te [D.] in Duitsland. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen, werkzaam bij de gemeente Venlo.

II. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de gegevens die verzoekster met betrekking tot haar huidige financiële situatie heeft overgelegd neemt de voorzieningenrechter aan dat sprake is van onverwijlde spoed als voormeld.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster exploiteerde met ingang van 15 mei 2004 een café in Venlo. Naar aanleiding van het vermoeden dat het café van verzoekster gebruikt werd voor drugshandel is een onderzoek ingesteld in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB). In de resultaten van dit onderzoek heeft het College aanleiding gezien om op 29 maart 2005 de drank- en horecavergunning en de exploitatievergunning van verzoekster in te trekken.

Vervolgens heeft verzoekster op 15 juni 2005 een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 30 september 2005 heeft het College deze aanvraag afgewezen. Bij besluit van 17 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 30 september 2005 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 april 2006 heeft de rechtbank Roermond geoordeeld dat de intrekking van de drank- en horecavergunning en de exploitatievergunning van verzoekster geen stand kan houden. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat sprake is van een ernstig gevaar dat de vergunningen van verzoekster mede worden gebruikt om strafbare feiten, te weten drugshandel, te plegen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 januari 2006 ongegrond verklaard.

Verzoekster heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

Het College heeft aan het bestreden besluit in hoofdzaak ten grondslag gelegd dat verzoekster onvoldoende aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens heeft aangetoond hoe zij gedurende de periode van april 2004 tot en met augustus 2005 in haar levensonderhoud heeft voorzien, waardoor niet kan worden vastgesteld of recht op bijstand bestaat. Met de rechtbank is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit standpunt van het College op goede gronden berust.

Dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak de grondslag van het besluit van 17 januari 2006 zou hebben miskend door de mede in dat besluit veronderstelde inkomsten uit handel in verdovende middelen niet (uitdrukkelijk) aan haar oordeel ten grondslag te leggen vermag de voorzieningenrechter niet in te zien, reeds omdat mogelijke andere bronnen van inkomsten door het College niet uitdrukkelijk zijn uitgesloten. In die zin acht de voorzieningenrechter de uitspraak van de rechtbank van 18 april 2006 niet van doorslaggevende betekenis voor de onderhavige zaak, nog daargelaten dat het toetsingskader van de wet BIBOB anders is dan het toetsingskader in WWB-zaken.

Met betrekking tot de grondslag van het bestreden besluit overweegt de voorzieningenrechter dat uit de door verzoekster overgelegde bankafschriften volgt dat ten tijde in geding in onvoldoende mate sprake was van traceerbare opnamen of stortingen. Voorts was het door verzoekster in de periode van 15 mei 2004 tot 6 april 2005 geëxploiteerde café verliesgevend. Verzoekster heeft haar stelling dat zij over een startkapitaal van € 15.000 beschikte, waarvan zij € 5.000,-- voor persoonlijk gebruik heeft aangewend op geen enkele wijze onderbouwd. In het door verzoekster overgelegde jaarbericht met betrekking tot het café uit 2004 wordt slechts melding gemaakt van een bedrag van € 2.175,-- aan privé-opnamen minus stortingen. Ook de door verzoekster gestelde ontvangst in 2004 van een ontslagvergoeding ter hoogte van € 5000,--, heeft zij op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

Aan de door verzoekster overgelegde verklaring van de vader van haar ex-echtgenoot van 1 september 2005 dat hij in de periode van 1 mei 2005 tot en met 1 september 2005 maandelijks € 300,-- aan verzoekster heeft geleend en de verklaring van de zuster van verzoekster van 5 september 2005 dat zij verzoekster in de periode van april tot augustus 2005 € 2000,-- heeft geleend, aangevuld ter zitting van de voorzieningenrechter van de Raad hecht de Raad geen doorslaggevende betekenis. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster daarmee niet aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens heeft aangetoond dat zij leningen heeft afgesloten om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien; de betreffende verklaringen bevatten onvoldoende gegevens en zijn achteraf opgesteld. Voorts zijn de gestelde betalingen niet traceerbaar. Door zo te handelen heeft verzoekster het risico genomen dat achteraf niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of zij over onvoldoende inkomsten beschikte om in haar levensonderhoud te voorzien.

Uit het voorgaande volgt dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoekster niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op haar rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of zij ten tijde hier van belang verkeerde in (bijstandsbehoevende) omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft de aanvraag van verzoekster om bijstand dan ook terecht afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

Gelet hierop is er geen grond aanwezig voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe moet worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

in de hoofdzaak:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

op het verzoek om voorlopige voorziening:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 december 2006.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) A.C. Palmboom.

JK/291106