Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3583

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-11-2006
Datum publicatie
04-12-2006
Zaaknummer
05-2188 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering behouduitkering, omdat betrokkene niet voldeed aan vereisten van geschiktheid en bekwaamheid. Disciplinaire straf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/2188 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2005, 03/6034 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio [regio] (hierna: korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 23 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Klein, werkzaam bij de Nederlandse Politie Bond. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Th. Tanja en

mr. L.R. Bosch van Drakestein, beiden werkzaam bij de politieregio [regio].

II. OVERWEGINGEN

1. Onder verwijzing overigens naar het in de aangevallen uitspraak gegeven overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.

1.1. In 1999 heeft de korpsbeheerder maatregelen getroffen, onder meer gericht op het tegengaan van de uitstroom van generalisten verbonden aan wijkteams. Behoudens andere voorwaarden is de kern van de maatregel dat per 1 augustus 2002 een uitkering tot behoud, als bedoeld in artikel 26 van het Besluit bezoldiging politie, ten bedrage van f 12.000,- in het vooruitzicht wordt gesteld aan politieambtenaren die gedurende één jaar of langer werkzaam waren als generalist bij een wijkteam en - in beginsel - gedurende die drie jaren in die functie zijn behouden (hierna: behoudmaatregel).

1.2. Appellant is vanaf 1993 werkzaam als generalist bij het wijkteam Rivierenbuurt, district 5. Bij besluit van 27 september 2002 heeft de korpsbeheerder appellant wegens seksueel intimiderend gedrag met onmiddellijke ingang de straf van disciplinair ontslag opgelegd, onder de bepaling dat deze straf niet ten uitvoer wordt gelegd indien appellant zich gedurende twee jaar niet schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Bij besluit van 28 april 2003 is geweigerd appellant voor de behoud-uitkering in aanmerking te brengen. Bij het bestreden besluit van 20 november 2003 heeft de korpsbeheerder, in afwijking van het advies van de hoor- en adviescommissie, die weigering na bezwaar gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1. Appellant heeft in hoger beroep - kort samengevat - aangevoerd dat door de veelheid van stukken met betrekking tot de behoudmaatregel geen sprake is van een duidelijke en éénduidige beleidsregel. Appellant meent dat de behouduitkering moet worden toege-kend, nu de in de behoudmaatregel bedoelde vereisten van geschiktheid en bekwaamheid geen betrekking (kunnen) hebben op plichtsverzuim en de in de behoudmaatregel genoemde disciplinaire straffen, bij welke de uitkering in het geheel niet toegekend wordt, verschillen van de in dit geval opgelegde disciplinaire maatregel. Subsidiair heeft hij een beroep gedaan op de inherente afwijkingsbevoegdheid bij het toepassen van een beleidsregel waarvan gedaagde gebruik had dienen te maken op grond van de uitstekende beoordelingen van appellant.

3.2. Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

4.1. De behouduitkering per 1 augustus 2002 is appellant bij het bestreden besluit geweigerd op de grond dat hij in de referteperiode van 1 augustus 1999 tot 1 augustus 2002 niet aan alle in de behoudmaatregel bedoelde vereisten van geschiktheid en bekwaamheid heeft voldaan, gezien de niet-integere gedragingen van appellant gedurende een vijftal maanden in deze periode, waarvoor hij (na afloop van de referteperiode) wegens zeer ernstig plichtsverzuim disciplinair is gestraft met voorwaardelijk ontslag. Daarbij is in aanmerking genomen dat de vereisten van geschiktheid en bekwaamheid in de behoudmaatregel niet limitatief zijn opgesomd.

4.2. Aan appellant kan worden toegegeven dat de wijze waarop aan de behoudmaatregel bekendheid is gegeven uit een oogpunt van volledigheid en overzichtelijkheid niet optimaal is geweest. Wat betreft de hier aan de orde zijnde voorwaarde dat de betrokken generalist in de referteperiode moet hebben voldaan aan de eisen van geschiktheid en bekwaamheid kan die wijze van bekendmaking echter in redelijkheid niet tot misver-standen hebben geleid. De uiteindelijke tekst van de maatregel, zoals in de loop van 2002 op intranet bekend gemaakt, luidt: “Om voor de behouduitkering in aanmerking te komen, dient de generalist aan een aantal voorwaarden te voldoen. Men dient te voldoen aan de eisen van geschiktheid en bekwaamheid. Dit houdt in dat over het functioneren een goede beoordeling dient te zijn uitgebracht, men de vereiste certificaten heeft behaald en aantoonbaar de kennis en vaardigheid heeft onderhouden, etc.” In bijvoorbeeld de tekst van de Nieuwsbrief bureau Arbeidsvoorwaarden van juli 1999, die in het bestreden besluit is geciteerd, is de tekst vrijwel woordelijk hetzelfde.

4.3. Naar het oordeel van de Raad is de opsomming van de vereisten in deze bepaling, gelet op de toevoeging van het woord “etc.”, niet limitatief bedoeld. De Raad onderschrijft niet de opvatting van appellant dat het uit een oogpunt van rechtszekerheid te ver zou voeren om onder “etc.” mede te begrijpen dat betrokkene niet wegens (ernstig) plichtsverzuim mag zijn gestraft. Daarbij is van belang dat het beoogde doel van de behoudmaatregel niet slechts het behoud van de generalisten zonder meer behelst, maar dat de maatregel meer in het bijzonder is gericht op het behoud van generalisten die functioneren op het daartoe vereiste niveau.

4.4. Dat de behoudmaatregel afzonderlijke bepalingen kent met betrekking tot ontslag in de referteperiode - waar de aan appellant opgelegde disciplinaire maatregel niet onder is te brengen -, betekent naar het oordeel van de Raad niet dat de gedragingen die door de korpsbeheerder als plichtsverzuim zijn gekwalificeerd en waarvoor appellant disciplinair is gestraft niet meer ten grondslag mogen worden gelegd aan het standpunt van de korpsbeheerder dat appellant in de referteperiode niet (volledig) aan de vereisten van geschiktheid en bekwaamheid heeft voldaan. Strekking van die bepalingen is slechts dat bepaalde vormen van ontslag in het kader van de behoudmaatregel niet ten volle aan de betrokkene zullen worden tegengeworpen.

4.5 Naar het oordeel van de Raad zijn de misdragingen van appellant, inhoudende (herhaalde) seksuele intimidatie en bedreiging, gedurende een periode van omstreeks vijf maanden gelegen in de referteperiode, van zodanige aard en omvang dat in het kader van de behoudmaatregel voldoende grond bestaat voor het oordeel dat appellant niet heeft voldaan aan de eisen van geschiktheid. Dat de bestraffing van die misdragingen pas na het verstrijken van de referteperiode heeft plaatsgevonden, acht de Raad hierbij niet relevant.

4.6. Met betrekking tot de - overigens - zeer goede staat van dienst van appellant, zoals deze genoegzaam blijkt uit de namens appellant ingebrachte stukken, inhoudende enige uitstekende beoordelingen en toegekende gratificaties, is de Raad van opvatting dat deze niet in de weg staat aan de conclusie dat appellant voor de toepassing van de behoudmaatregel niet - want niet bij voortduring en in alle opzichten - aan de eisen van geschiktheid heeft voldaan. Naar het oordeel van de Raad heeft de korpsbeheerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid kunnen besluiten om appellant niet voor de behouduitkering in aanmerking te brengen. Daarbij neemt Raad in aanmerking dat - naar de korpsbeheerder ter zitting heeft verklaard - de misdragingen van appellant niet in de beoordeling over de periode van 7 november 2001 tot en met 15 oktober 2003 zijn vermeld vanwege de uitzonderlijk lange periode waarop de beoordeling ziet en de omstandigheid dat de misdragingen aan het begin van die beoordelingsperiode hebben plaatsgevonden.

5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en

J.Th. Wolleswinkel en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 november 2006.

(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.

(get.) P.W.J. Hospel.