Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2006
Datum publicatie
04-12-2006
Zaaknummer
04/3710 WAZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is weigering WAZ-uitkering toe te kennen terecht?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3710 WAZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 25 mei 2004, 02/2418

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 24 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J.L. Mulderink, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door opvolgend gemachtigde,

mr. drs. M.L. Marcus-Daniƫls. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

J.Z. Groenenberg.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat het Uwv terecht appellant met ingang van 28 juni 2000 niet in aanmerking heeft gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).

Zij heeft daartoe de juistheid onderschreven van het aan het bestreden besluit van

14 november 2002 ten grondslag liggende standpunt dat appellant, uitgaande van de door verzekeringsartsen ten aanzien van hem vastgestelde beperkingen, per 28 juni 2000 in staat was met de hem voorgehouden functies een zodanig inkomen te verdienen dat het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25% bedraagt.

In hoger beroep zijn de eerdere grieven uit bezwaar en beroep herhaald en is het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige zenuwarts dr. D.H.J. Boeykens bestreden. Namens appellant is - kort samengevat - aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de psychische klachten. Ter ondersteuning hiervan is verwezen naar de in beroep overgelegde informatie van de huisarts en behandelend psychotherapeut

M.M. Ruisch.

De Raad overweegt als volgt.

De Raad ziet geen reden om de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen voor onjuist te houden. Naar het oordeel van de Raad is het geneeskundig onderzoek zorgvuldig en weloverwogen geweest, is de informatie van de huisarts en behandelend psycholoog drs. I.P.M. Dons meegewogen en is in het belastbaarheidspatroon in voldoende mate rekening gehouden met de psychische klachten van appellant. De Raad stelt in dit kader vast dat bezwaarverzekeringsarts A.J.D. Versteeg het belastbaarheidspatroon heeft aangescherpt. Voorts heeft de Raad evenals de rechtbank geen aanleiding gevonden om de onderzoeksbevindingen en de conclusies van de onafhankelijke deskundige zenuwarts Boeykens niet te volgen, nu door Boeykens, na onderzoek van appellant en op basis van de informatie van de huisarts, psycholoog Dons en psychotherapeut Ruisch, afdoende is gemotiveerd dat appellant gezien het belastbaarheidspatroon in staat is te achten om de in aanmerking genomen arbeid te verrichten. Er zijn door appellant geen gegevens in geding gebracht, die aanleiding geven voor de veronderstelling dat sprake is van een ondeugdelijke medische oordeelsvorming.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid bestaat evenmin grond om ervan uit te gaan dat de appellant voorgehouden functies voor hem niet geschikt zijn. De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat door de arbeidsdeskundige J.A.M. Snijders de functies op basis van het aangepaste belastbaarheidspatroon opnieuw zijn bezien met inachtneming van de juiste actualiseringsdatum. Naar het oordeel van de Raad zijn door de arbeidsdeskundige de mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid genoegzaam gemotiveerd. Vastgesteld kan worden dat de schatting hiermee op goede gronden berust en dat terecht WAZ-uitkering aan appellant is geweigerd.

Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en

J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.E.M.J. Hetharie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 november 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) J.E.M.J. Hetharie.