Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-11-2006
Datum publicatie
04-12-2006
Zaaknummer
06-2954 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Heeft UWV terecht besloten bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/2954 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 april 2006, 05/1444 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 29 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2006. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

II. OVERWEGINGEN

Het Uwv heeft bij besluit van 10 november 2004 de eerder aan appellante toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 december 2002 ingetrokken. Bij besluit van 21 februari 2005 heeft het Uwv de teveel betaalde WAO-uitkering over de periode van 1 december 2002 tot 1 december 2004 ad € 7.862,79 van appellante teruggevorderd. Het Uwv heeft vervolgens op 29 maart 2005 een correctiebeslissing met betrekking tot de terugvordering toegezonden, waarbij de hoogte van de terugvordering is bepaald op € 8.491,85. Bij brief van 8 augustus 2005 heeft het Uwv laten weten dat appellante het bedrag van € 8.491,85 ineens terug kan betalen, maar dat zij ook een regeling kan treffen voor het terugbetalen van dat bedrag. Het Uwv heeft het door appellante tegen deze brief ingestelde bezwaar bij besluit van 28 september 2005 (het bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief slechts informatief is en niet gericht op rechtsgevolg. Het Uwv heeft tevens overwogen dat voorzover de bezwaren van appellante zijn gericht tegen de beslissing van 10 november 2004 appellante niet-ontvankelijk is in haar bezwaar.

De rechtbank heeft het beroep van appellante niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante ter zitting heeft verklaard niet langer een oordeel te wensen over de brief van 8 augustus 2005. Ter zitting heeft appellante tevens verklaard dat zij met haar bezwaarschrift van 7 september 2005 bezwaar heeft willen maken tegen de beëindiging van haar WAO-uitkering. De rechtbank heeft overwogen dat het beroep van appellante tevens moet worden opgevat als te zijn gericht tegen het besluit van 10 november 2004 inzake de beëindiging van de WAO-uitkering. De rechtbank heeft daarin aanleiding gezien het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan het Uwv door te zenden ter behandeling als bezwaarschrift. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat bij die behandeling in ieder geval ook aandacht dient te worden besteed aan de stelling van appellante dat zij het besluit van 10 november 2004 niet heeft ontvangen.

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en in hoger beroep gewezen op nalatigheden, slordigheden en fouten van het Uwv, waarvan zij niet de dupe wil zijn.

De Raad overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat het Uwv het bezwaarschrift van appellante tegen de brief van 8 augustus 2005 reeds mede gericht heeft geacht tegen het besluit van 10 november 2004. Gelet op het door appellante tijdens de zitting bij de rechtbank ingenomen standpunt dat zij met haar bezwaarschrift van 7 september 2005 bezwaar heeft willen maken tegen de beëindiging van haar WAO-uitkering, heeft appellante wel degelijk belang gehouden bij een oordeel over het bestreden besluit. De aangevallen uitspraak komt in ieder geval voor vernietiging in aanmerking.

Het geding beperkt zich thans tot de vraag of het Uwv terecht heeft besloten het tegen het besluit van 10 november 2004 gerichte bezwaar van appellante niet-ontvankelijk te verklaren. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante gesteld het besluit van 10 november 2004 niet te hebben ontvangen. De Raad kan appellante in deze stelling niet volgen. Het Uwv heeft in hoger beroep desgevraagd diverse brieven van appellante aan het Uwv en besluiten aan appellante van het Uwv toegezonden. Onder deze stukken bevindt zich het op 18 mei 2005 door het Uwv ontvangen bezwaarschrift van appellante van 11 mei 2005, gericht tegen de terugvorderingsbesluiten van februari en maart 2005. Met dit bezwaarschrift heeft appellante diverse kopieën van beschikkingen meegezonden, die zij in een bijlage bij het bezwaarschrift heeft opgesomd. Uit deze bijlage blijkt dat appellante met haar bezwaarschrift van 11 mei 2005 een kopie van het besluit van 10 november 2004 heeft meegezonden. De stelling van appellante dat zij het besluit van 10 november 2004 niet heeft ontvangen, is dan ook niet juist.

Het voorgaande betekent dat niet is gebleken dat het besluit van 10 november 2004 niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt, zodat de bezwaartermijn op 11 november 2004 is gaan lopen. Appellante heeft niet binnen de bezwaartermijn van zes weken maar pas bij haar bezwaarschrift van 7 september 2005 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 november 2004. Zij heeft desgevraagd niet aan kunnen geven waarom zij zo lang heeft gewacht met het maken van bezwaar. Van omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken is derhalve geen sprake. Het Uwv heeft het bezwaar van 7 september 2005, voorzover dat is gericht tegen het besluit van 11 november 2004, terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidend beroep ongegrond;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) J.J. Janssen.

MH