Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3354

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-11-2006
Datum publicatie
30-11-2006
Zaaknummer
06-1872 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijstandsaanvraag. Ontvankelijkheid. Besluit in de zin van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/1872 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 16 februari 2006, 05/965 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)

Datum uitspraak: 28 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 7 november 2006 waar partijen, met voorafgaande kennisgeving, niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij brief van 29 september 2004 is namens appellant verzocht om afhandeling van een aanvraag om bijstand, waarvoor appellant zich op 26 november 2003 tot de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten had gewend.

In reactie hierop heeft het College bij brief van 30 november 2004 meegedeeld, voor zover hier van belang, dat appellant zich weliswaar op 26 november 2003 had gemeld bij een wijkkantoor van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten maar dat er geen aanvraag om bijstand is ingediend aangezien appellant de op 7 januari 2004 door het Centrum voor Werk en Inkomen aan hem overhandigde aanvraagformulieren niet heeft ingeleverd.

Tegen de brief van 30 november 2004 heeft appellant bezwaar gemaakt op de grond dat het College zich ten onrechte op het standpunt stelt dat er geen aanvraag om bijstand tot stand is gekomen.

Bij besluit van 13 april 2005 heeft het College het bezwaar tegen de brief van

30 november 2004 niet-ontvankelijk verklaard onder de overweging dat er geen sprake is van een besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

13 april 2005 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“(…) Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte handeling. De rechtbank leest in de brief van

30 november 2004 geen op rechtsgevolg gerichte handeling. De brief is van informatieve aard en behelst de feitelijke mededeling dat geen sprake is van een aanvraag die nog behandeling behoeft. Een brief met deze inhoud is geen besluit in de zin van de Awb zodat het bezwaar, hoewel op onjuiste gronden, terecht niet-ontvankelijk is verklaard. (…)”

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant - samengevat - aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat hij met zijn brief van 29 november 2004 heeft beoogd een zelfstandige bijstandsaanvraag te doen. Bij deze brief, zo stelt appellant, was een ingevuld vragenformulier gevoegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de in dit geding centraal staande vraag betreffende de strekking van de brief van 30 november 2004, verenigt de Raad zich met het standpunt van het College, uiteengezet in - onder meer - het verweerschrift van 6 april 2006. Appellant heeft zich tot aan het door hem ingestelde hoger beroep steeds op het standpunt gesteld dat het College nog moest beslissen op een - vermeende - bijstandsaanvraag van 26 november 2003. Met de brief van 30 november 2004 heeft het College appellant terecht meegedeeld dat er geen sprake is van een aanvraag van november 2003. Van het uitblijven van een beslissing hierop is derhalve geen sprake. De brief van 30 november 2004 kan dan ook niet worden aangemerkt als een weigering om op een aanvraag om bijstand te beslissen. Dat appellant met de brief van 29 november 2004 alsnog een aanvraag om bijstand beoogde in te dienen staat aan dit standpunt dan ook niet in de weg.

De vervolgens aan de orde zijnde vraag of de mededeling in de brief van

30 november 2004, in de zin zoals hiervoor is weergegeven, als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb moet worden aangemerkt, beantwoordt de Raad ontkennend. De Raad onderschrijft in dit kader het hiervoor aangehaalde oordeel van de rechtbank en schaart zich achter de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 november 2006.

(get.) Th. C. van Sloten.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

BKH 141106