Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ3023

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-11-2006
Datum publicatie
27-11-2006
Zaaknummer
05-5715 AOR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strikte toepassing leeftijdsgrens bij beoordeling aanvraag invaliditeitsuitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5715 AOR

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante)

en

de Commissie Algemene Oorlogsongevallen Regeling (hierna: verweerster).

Datum uitspraak: 8 november 2006

I PROCESVERLOOP

Namens appellante is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 augustus 2005, kenmerk 5814/CAOR, door verweerster ten aanzien van appellante genomen besluit ter uitvoering van de Algemene oorlogsongevallenregeling (hierna: de AOR).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met een vijftal soortgelijke zaken, plaats-gevonden op 27 september 2006. Aldaar is voor appellante verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door haar secretaris mr. L.H.G. Belleflamme, alsmede door mr. R.M.L.J. Gielen.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken heeft appellante, geboren op 28 augustus 1930, in mei 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van voorzieningen ingevolge de AOR.

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft verweerster deze aanvraag in zoverre ingewilligd dat - onder aanvaarding van de psychische klachten van appellante als oorlogsletsel in de zin van de AOR - aan haar is toegekend een voorziening in de kosten van geneeskundige behandeling ter zake van het oorlogsletsel, voorzover niet elders gedekt.

Een invaliditeitsuitkering ingevolge de AOR heeft verweerster geweigerd op de grond dat appellante ten tijde van de aanvraag al ouder was dan 70 jaar. Hierbij is overwogen dat de AOR met die uitkering beoogt een voorziening te treffen voor hen die als gevolg van oorlogsletsel geheel of voor een belangrijk deel ongeschikt zijn geworden om zich een inkomen te verwerven. In Nederland is de gangbare pensioengerechtigde leeftijd 65 jaar en voor bepaalde groepen 70 jaar. Na het bereiken van die leeftijd, waarbij een ruim standpunt is ingenomen door de grens op 70 jaar te stellen, is dus in feite geen sprake meer van arbeidsinkomsten die als gevolg van oorlogsletsel kunnen wegvallen, aldus het besluit.

Het namens appellante tegen dit tweede onderdeel van het besluit van 31 maart 2005 ingediende bezwaar is bij het nu bestreden besluit ongegrond verklaard.

In beroep is namens appellante vooreerst, evenals in bezwaar, aangevoerd dat verweerster met het hanteren van de genoemde leeftijdsgrens handelt in strijd met het zowel naar nationaal als naar internationaal recht geldende verbod om onderscheid te maken naar, onder meer, leeftijd. Verder acht appellante onjuist dat niet is nagegaan of haar arbeidsongeschiktheid niet al veel eerder, en derhalve vóór haar 70-jarige leeftijd, is ontstaan.

De Raad overweegt dienaangaande dat verweerster terecht erop heeft gewezen dat - naar blijkt uit artikel 10 van de AOR - de onderhavige voorziening strekt tot (gedeeltelijke) compensatie van door het oorlogsletsel veroorzaakte arbeidsongeschiktheid. Naar het oordeel van de Raad getuigt het niet van een onjuiste of onredelijke uitleg en toepassing van de AOR om deze voorziening niet meer toe te kennen indien de aan het oorlogsletsel toe te schrijven invaliditeit eerst is ontstaan op een tijdstip waarop van deelname aan het arbeidsleven duidelijk geen sprake meer is. Uit dit oogpunt bezien is evenmin onjuist of onredelijk te achten dat verweerster bij de uitvoering van de AOR een aan de in Nederland gebruikelijke tijdstippen van pensionering gerelateerde leeftijdsgrens van 70 jaar hanteert. Een handelen in strijd met het verbod van leeftijdsdiscriminatie is dan niet aan de orde. Dat verweerster, zoals namens appellante nog is gesteld, een al toegekende invaliditeitsuitkering niet bij het bereiken van de 70-jarige leeftijd beëindigt, doet aan het voorgaande niet af.

Wel heeft de Raad bedenkingen ten aanzien van de wijze waarop de genoemde leeftijdsgrens, ook in dit geval, door verweerster wordt gehanteerd.

In de eerste plaats acht de Raad onjuist dat, naar uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken, verweerster de onderhavige leeftijdsgrens min of meer als absolute grens hanteert. Een zodanige strikte toepassing spoort immers niet geheel met de daaraan ten grondslag gelegde redengeving, omdat geen ruimte wordt gelaten voor die gevallen waarin in afwijking van de gebruikelijke pensioneringsdatum juist wel langer is doorgewerkt of anderszins blijkt dat de betrokkene nog wel is aangewezen op inkomsten uit arbeid. Doet een zodanig geval zich voor dan dient de AOR wel ten volle toepassing te vinden. Een juiste toepassing van de AOR vergt derhalve dat bij elke aanvraag van een persoon ouder dan 70 jaar wordt nagegaan of blijkt van feiten of omstandigheden waarvoor het aan de gebruikelijke pensioneringsdatum ontleende vermoeden moet wijken. Dit onderzoek is hier ten onrechte achterwege gebleven.

In aanmerking genomen dat de AOR niet voorschrijft naar welk moment (hierna: peilmoment) de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid dient plaats te vinden, kan de Raad zich voorts niet verenigen met het bij de toepassing van de onderhavige leeftijdsgrens door verweerster tevens ingenomen standpunt dat als peilmoment slechts kan worden gehanteerd de datum van de aanvraag. Naar het oordeel van de Raad volgt uit de systematiek van de AOR, waarin het ontstaan van het oorlogsletsel en de - te compenseren - gevolgen daarvan voorop staan, veeleer dat evenzeer moet worden gezien naar mogelijke eerdere peilmomenten. Dit betekent dat verweerster bij aanvragen van personen boven de 70 jaar de onderhavige leeftijdsgrens ook niet zonder meer kan hanteren indien uit de voorhanden gegevens naar voren komt dat mogelijk sprake is van een vóór die leeftijd al ingetreden arbeidsongeschiktheid op grond van het oorlogsletsel. Verweerster zal hierover dan eerst, op basis van ingewonnen medisch advies, een standpunt dienen te bepalen. Blijkt hierbij daadwerkelijk van een eerder ingetreden, causale arbeidsongeschiktheid dan dient ook hier de AOR ten volle te worden toegepast. Nu in het voorliggende geval uit de stukken naar voren komt dat appellante al geruime tijd kampt met psychische problemen, moet de conclusie luiden dat ook dit onderzoek hier ten onrechte achterwege is gebleven.

Een en ander leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daarom, als zijnde genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van de proceskosten verwijst de Raad naar het daarover gestelde in zijn uitspraak van heden in de met deze zaak samenhangende zaak met nr. 05/5495 AOR.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat verweerster een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Bepaalt dat verweerster aan appellante het door haar betaalde griffierecht van € 35,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 8 november 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

17.10