Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2006
Datum publicatie
24-11-2006
Zaaknummer
06-77 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering. Moet het nabetaalde bedrag van werkgever aan betrokkene aangemerkt worden als loon, of als een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/77 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 november 2005, 05/2313 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.H.J. Barten, advocaat te Boxmeer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Croes, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant was sinds 1 september 1993 in dienst van de [de werkgever] (hierna: de werkgever) en werkzaam bij een inlener als conciërge. Bij brief van 8 januari 2004 heeft de werkgever aan appellant medegedeeld dat het dienstverband met ingang van 1 mei 2004 wordt beëindigd omdat voor hem geen nieuwe werkplek is gevonden. In een hiertegen gevoerde kantongerechtsprocedure, uit hoofde van kennelijk onredelijk ontslag waarin onder meer loon is gevorderd vanaf 1 mei 2004, hebben appellant en werkgever een schikking bereikt. In verband hiermee heeft appellant een bedrag ter grootte van het loon over de maanden mei tot en met december 2004 betaald gekregen. Bij besluit van 18 mei 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 3 mei 2004 een uitkering op grond van de WW toegekend.

Bij brief van 7 januari 2005 heeft appellant aan het Uwv medegedeeld dat het dienstverband met terugwerkende kracht wordt hersteld, hetgeen door de werkgever aan het Uwv bij brief van 13 januari 2005 is bevestigd. Vanaf 1 januari 2005 verricht appellant wederom werkzaamheden in dienst van de werkgever.

2.2. Bij besluit van 14 januari 2005 heeft het Uwv besloten om het recht op

WW-uitkering met ingang van 3 mei 2004 te beëindigen, omdat door herstel van het dienstverband geen sprake is van loon- en urenverlies. Bij besluit van eveneens 14 januari 2005 heeft het Uwv besloten om de onverschuldigd betaalde uitkering over de periode van 3 mei 2004 tot en met 26 december 2004 tot een bedrag van € 8.044,40 van appellant terug te vorderen, waarbij is overwogen dat niet is gebleken dat er dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Bij het bestreden besluit op bezwaar van 23 mei 2005 zijn de bezwaren tegen de besluiten van 14 januari 2005 ongegrond verklaard, waarbij is overwogen dat per de daarvoor het eerst in aanmerking komende datum, 3 mei 2004, wel sprake is van arbeidsurenverlies, maar dat met ingang van die datum niettemin geen WW-uitkering kan worden toegekend omdat uit een door de werkgever aan het Uwv toegezonden individuele loonstaat is gebleken dat met ingang van 1 mei 2004 doorbetaling van loon heeft plaatsgevonden, waaraan het Uwv de gevolgtrekking heeft verbonden dat achteraf is gebleken dat appellant recht had op onverminderde doorbetaling van loon en dus per 3 mei 2004 niet voldaan wordt aan de ontstaansvoorwaarden voor het recht op een WW-uitkering.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat genoegzaam is gebleken dat de arbeidsovereenkomst die appellant had met zijn werkgever met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004 is hersteld en dat de werkgever derhalve gehouden was aan de verplichting tot loonbetaling aan appellant over de periode mei 2004 tot en met december 2004, aan welke verplichting de werkgever ook gevolg heeft gegeven. De rechtbank heeft de stelling van appellant dat de nabetaling van het loon dient te worden gelijkgesteld met een door de kantonrechter te bepalen schadevergoeding niet onderschreven omdat hieromtrent geen afspraken zijn gemaakt en daarvoor ook anderszins geen aanwijzingen zijn te vinden. Mitsdien heeft de rechtbank geconcludeerd dat achteraf is gebleken dat per 3 mei 2004 niet werd voldaan aan een van de ontstaansvoorwaarden voor het recht op WW-uitkering, zodat deze ten onrechte is toegekend. Zowel ten aanzien van het besluit tot herziening als ten aanzien van het besluit tot terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat er geen sprake is van dringende redenen om daarvan af te zien.

4. Appellant heeft het oordeel van de rechtbank in hoger beroep bestreden. Onder herhaling van hetgeen in bezwaar en beroep naar voren is gebracht, heeft hij aangevoerd dat een formele schriftelijke bevestiging dat zijn dienstbetrekking met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004 is hersteld ontbreekt, zodat geen sprake is van herstel van de dienstbetrekking. Voorts wordt het standpunt gehandhaafd dat de nabetaling aan appellant dient de worden aangemerkt als een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank dient te worden gevolgd in haar oordeel dat het Uwv terecht tot herziening van de WW-uitkering van appellant over de periode mei 2004 tot en met december 2004 en tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde uitkering in die periode is overgegaan. Gelet op de standpunten van partijen is voor een bevestigende beantwoording van die vraag beslissend of het bedrag dat appellant is nabetaald door de werkgever moet worden aangemerkt als loon waarop appellant voor de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2004 recht had, of als een vergoeding overeenkomstig de kantonrechtersformule. De Raad beperkt zich tot dat punt van geschil en overweegt het volgende.

5.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich in grote lijnen achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Naar aanleiding van hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, voegt de Raad daaraan het volgende toe. Op basis van de voorhanden gedingstukken, waaronder met name de brief van de werkgever aan appellant van 14 september 2004 waarin wordt aangegeven dat de dienstbetrekking met terugwerkende kracht per 1 mei 2004 zal worden hersteld indien vóór 1 januari 2005 voor appellant een passende werkplek wordt gevonden, de brief van appellant van 7 januari 2005 waarin hij zelf mededeelt dat het dienstverband met terugwerkende kracht is hersteld en de brief van de werkgever aan het Uwv van 13 januari 2005 waarin het herstel van de dienstbetrekking met terugwerkende kracht tot 1 mei 2004 wordt bevestigd, staat voor de Raad genoegzaam vast dat de dienstbetrekking met terugwerkende kracht tot

1 mei 2004 is hersteld. Nu het standpunt van appellant, dat geen sprake is van herstel van de dienstbetrekking maar van een nieuwe dienstbetrekking met ingang van 1 januari 2005, niet nader met schriftelijke stukken of anderszins is onderbouwd ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Mitsdien heeft het Uwv terecht geconcludeerd dat appellant met ingang van 3 mei 2004 niet voldeed aan een van de ontstaansvoorwaarden voor het recht op WW-uitkering omdat vanaf 1 mei 2004 recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon bestond.

5.3. Ten aanzien van de stelling van appellant dat de betaling over de periode mei 2004 tot en met december 2004 als een vergoeding gelijk aan die volgens de kantonrechtersformule dient te worden aangemerkt, verwijst de Raad naar het oordeel van de rechtbank dienaangaande en voegt daaraan toe dat het Uwv er -mede op basis van de overgelegde individuele loonstaten en de brief van 18 mei 2005 aan appellants raadsman van de zijde van de gemeente Nijmegen, waarin is bevestigd dat de nabetaling aan appellant salaris over de periode van 1 mei 2004 tot 1 januari 2005 betrof - terecht vanuit is gegaan dat het een nabetaling van het loon over de genoemde periode betrof. Mitsdien kan ook deze grief van appellant niet slagen.

5.4. Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) L. Karssenberg.

HD

11.10