Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2970

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-11-2006
Datum publicatie
24-11-2006
Zaaknummer
05/3859 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/3859 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 31 mei 2005, 04/2569 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb)

Datum uitspraak: 7 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2006. Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.

II. OVERWEGINGEN

Appellante en haar schoonmoeder [K.O.A[A.] (hierna: [A.]) zijn woonachtig op hetzelfde adres. Appellante ontving van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rucphen (hierna: College) bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) naar de norm voor een alleenstaande. [A.] ontving van de Svb een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW), eveneens naar de norm voor een alleenstaande.

Op grond van de bevindingen van een door de Svb ingesteld onderzoek naar de woonsituatie van appellante en [A.] heeft de Svb geconcludeerd dat appellante en [A.] een gezamenlijke huishouding voeren. Naar aanleiding daarvan heeft de Svb bij besluit van 17 maart 2004 het AOW-pensioen van [A.] herzien naar de norm voor een gehuwde en voorts een toeslag toegekend. Vervolgens heeft het College bij besluit van de bijstandsuitkering van appellante eveneens herzien naar de norm voor een gehuwde en daarop een korting toegepast ter hoogte van het AOW-pensioen plus toeslag van [A.].

Bij besluit van 12 november 2004 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 maart 2004 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat appellante, als niet-rechthebbende partner van [A.], bij het besluit van

17 maart 2004 geen belanghebbende is. [A.] heeft tegen het besluit van 17 maart 2004 geen bezwaar gemaakt.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 12 november 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en daarbij de in beroep aangevoerde gronden herhaald. In hoger beroep heeft appellante voorts nog het volgende aangevoerd. De vaststelling door de Svb dat appellante en [A.] een gezamenlijke huishouding voeren, brengt mee dat sprake is van een aangewezen registratie van appellante en [A.] als een gezamenlijk huishouding ingevolge het Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding 1998. Dit betekent, gelet op artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Abw, dat - mits (nog steeds) sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning - ook voor de toepassing van de Abw een gezamenlijke huishouding van appellante en [A.] aanwezig wordt geacht. Aangezien hier sprake is van een - uit de wet voortvloeiend - zogenoemd onweerlegbaar rechtsvermoeden, kan appellante in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit inzake haar bijstandsuitkering het bestaan van een gezamenlijke huishouding niet (ten volle) betwisten. Om die reden moet appellante als belanghebbende worden aangemerkt bij het jegens [A.] genomen besluit van de Svb van 12 november 2004 inzake het AOW-pensioen van [A.].

De Raad stelt bij zijn beoordeling voorop dat volgens zijn vaste jurisprudentie bij een besluit inzake de vaststelling van AOW-pensioen uitsluitend de geadresseerde van dat besluit belanghebbende is. De Raad onderschrijft, in dat licht, hetgeen de rechtbank heeft overwogen naar aanleiding van de door appellante in beroep aangevoerde gronden.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep nieuw heeft aangevoerd overweegt de Raad dat het in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden verankerde recht op toegang tot de rechter meebrengt dat het in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder d, van de Abw neergelegde onweerlegbare rechtsvermoeden in gevallen als het onderhavige - waarin de aan het onweerlegbare rechtsvermoeden ten grondslag liggende aangewezen registratie het gevolg is van een besluit waartegen de betrokken bijstandsgerechtigde wegens het ontbreken van (rechtstreeks) belang geen rechtsmiddel kan aanwenden - geen toepassing vindt. Dit betekent dat de betrokken bijstandsgerechtigde in een dergelijk geval, in het kader van bezwaar en beroep tegen een besluit inzake zijn of haar bijstandsuitkering, het bestaan van een gezamenlijke huishouding ten volle kan betwisten. Er is derhalve geen sprake van een situatie die rechtens dwingt tot bijstelling van de hiervoor bedoelde vaste jurisprudentie.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 7 november 2006.

(get.) T.G.M. Simons.

(get.) M. Pijper.