Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2969

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2006
Datum publicatie
24-11-2006
Zaaknummer
06-124 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht op WW-uitkering omdat betrokkene recht heeft (gehad) op een ZW-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/124 WW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 december 2005, 05/2596 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 november 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Appellant was sedert 4 november 2002 als algemeen beveiligingsmedewerker werkzaam voor [naam werkgever] (hierna: de werkgever). Op 17 december 2003 heeft appellant zich ziek gemeld. Bij beschikking van 15 juni 2004 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van appellant op verzoek van de werkgever per 16 juni 2004 ontbonden in verband met een verstoorde arbeidsverhouding. Appellant heeft vervolgens een aanvraag om een WW-uitkering ingediend. Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het Uwv meegedeeld dat in verband met de fictieve opzegtermijn geen recht bestaat op een WW-uitkering tot 1 augustus 2004.

3. Appellant heeft vervolgens een verkorte aanvraag om een WW-uitkering ingediend.

Bij besluit van 20 augustus 2004 heeft het Uwv de WW-uitkering per 16 juni 2004 blijvend geheel geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Het Uwv heeft daartoe gesteld dat appellant niet heeft meegewerkt aan zijn reïntegratie waardoor hij een voorzienbaar werkloosheidsrisico heeft genomen.

4. Bij het bestreden besluit van 29 maart 2005 heeft het Uwv in bezwaar het besluit van 20 augustus 2004 gehandhaafd. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat nader is gebleken dat appellant per 16 juni 2004 recht heeft op een Ziektewet-uitkering (hierna: ZW-uitkering), zodat, gelet op artikel 19, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW, geen recht op een WW-uitkering bestaat.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht appellant niet in aanmerking heeft gebracht voor een WW-uitkering. Aan appellant is over de periode 16 juni 2004 tot 14 december 2004 een ZW-uitkering toegekend. Dit betekent dat appellant niet tegelijkertijd aanspraak kan maken op een WW-uitkering. In het geval dat appellant aanspraak wil maken op WW-uitkering per 15 december 2004 zal hij bij het Uwv een nieuwe aanvraag per die datum moeten doen.

6. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het besluit van 20 augustus 2004 los staat van de vraag of appellant een ZW-uitkering genoot. Appellant betwist dan ook dat hij niet wilde meewerken aan reïntegratie. Hij wilde wel, maar kon het niet. Voor zover al terecht WW-uitkering aan appellant is geweigerd, is hij van mening dat het recht per 15 december 2004 dient te herleven.

7. De Raad overweegt als volgt.

7.1. In geding is de vraag of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft onderschreven dat geen recht op WW-uitkering bestaat per 16 juni 2004 omdat sprake is van een uitsluitingsgrond nu appellant per die datum recht heeft op een ZW-uitkering.

7.2. De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en kan zich verenigen met de overwegingen die de rechtbank aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, bevat in vergelijking met hetgeen eerder naar voren is gebracht geen nieuwe gezichtspunten, zodat de Raad kan volstaan met een verwijzing naar dit oordeel.

7.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.D.F. de Moor.