Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2949

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-11-2006
Datum publicatie
24-11-2006
Zaaknummer
05-1870 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering: mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15%. Schatting ontbeert een als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/1870 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 9 maart 2005, 04/2257 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 22 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft P.J. Smink, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond te Houten, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2006.

Appellant is verschenen, bijgestaan door P.J. Smink. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

II. OVERWEGINGEN

Appellant is op 23 september 2002 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als magazijnmedewerker/heftruckchauffeur in verband met rugklachten en psychische klachten. Bij besluit van 3 oktober 2003 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 23 september 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.

Bij besluit van 19 maart 2004 heeft het Uwv het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 6 mei 2004 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht het tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Bij besluit van 24 augustus 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep niet-ontvankelijk verklaard voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2003, het Uwv veroordeeld in de proceskosten in verband met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar en het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit.

In hoger beroep heeft het Uwv rapportages overgelegd van een bezwaararbeidsdeskundige van 10 mei 2005 en 14 februari 2006, waarin deze een nadere motivering heeft gegeven waarom de voor de schatting gebruikte functies ondanks gesignaleerde overschrijdingen passend zijn.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat in het bestreden besluit geen integrale heroverweging heeft plaatsgevonden van de ingebrachte arbeidskundige bezwaren. Onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 9 november 2004

(LJN: AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) is appellant van mening dat in het bestreden besluit en ook in beroep en hoger beroep geen overtuigende motivering is gegeven voor de passendheid van de functies. In beroep en in het aanvullend hoger beroepschrift heeft hij daarbij in het bijzonder gewezen op het aspect probleemoplossen in de functies machinaal metaalbewerker, samensteller printplaten en wikkelaar. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant nog andere specifieke bezwaren naar voren gebracht ter zake van belastbaarheidsaspecten van verschillende functies.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de mogelijkheden van appellant om te werken niet zijn overschat. De Raad kan zich vinden in de overwegingen die de rechtbank tot deze conclusie hebben gebracht en maakt die overwegingen tot de zijne. In hoger beroep heeft appellant geen medische informatie ingebracht die tot een ander oordeel leidt. De brieven van de psychiater M.P.A.M. Sonnen, waarnaar de gemachtigde ter zitting heeft verwezen, zijn door de bezwaarverzekeringsarts en de rechtbank reeds in de beoordeling betrokken.

Het bestreden besluit is genomen op basis van een arbeidskundige beoordeling met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), zoals dat destijds was ingericht. In bovenvermelde uitspraken heeft de Raad als één van de onvolkomenheden van dit systeem aangegeven dat het, anders dan het geval was bij het FIS, er niet meer in voorziet dat zogeheten markeringen, dat wil zeggen signaleringen ten teken dat met betrekking tot een onderdeel of meer onderdelen van de functiebelasting sprake kan zijn van een overschrijding van de belastbaarheid van de betrokken verzekerde op dat punt of op die punten, in het dossier terechtkomen. Aan de arbeidsdeskundige worden dergelijke markeringen door het systeem nog wel op het scherm gepresenteerd, maar ze komen vervolgens niet terug in de geprinte versies van de CBBS-formulieren. Voorts bevat het CBBS zogeheten niet-matchende beoordelingspunten: punten in de FML waarvoor geen corresponderend belastingpunt aan de zijde van de functieanalyse bestaat. Als gevolg van, onder meer, deze kenmerken van het CBBS laat het zich voor anderen dan functionarissen van het Uwv niet op relatief eenvoudige wijze controleren of terecht het standpunt is ingenomen dat de totale belasting van een functie binnen de medische mogelijkheden van een betrokkene blijft. De Raad heeft in voormelde uitspraken overwogen dat ter compensatie van onder meer deze onvolkomenheden van het CBBS en ter voorkoming dat het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:2 en/of 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden vernietigd, hoge(re) eisen dienen te worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van de in een concreet geval aan het betreffende schattingsbesluit ten grondslag gelegde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige uitgangspunten.

In de onderhavige zaak heeft de verzekeringsarts op de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) in de rubrieken Persoonlijk functioneren en Sociaal functioneren diverse beperkingen aangegeven op niet-matchende beoordelingspunten, onder meer ten aanzien van het concentreren en verdelen van de aandacht, het doelmatig handelen en het aangewezen zijn op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Verder zijn in de rubrieken Aanpassing aan fysieke omgevingseisen, Dynamische handelingen en Statische houdingen op verschillende punten beperkingen aangegeven.

De Raad stelt vast dat ten tijde van het bestreden besluit de motivering van eventuele overschrijdingen van de belastbaarheid van appellant te vinden was in het formulier “Overleg VA-AD Afwijkende Functiebelasting” en in een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 maart 2004. In geen van deze stukken is echter ingegaan op de beperkingen van appellant ten aanzien van de niet-matchende beoordelingspunten in de rubrieken Persoonlijk functioneren en Sociaal functioneren. Slechts wordt summier een aantal mogelijke overschrijdingen in de andere rubrieken behandeld.

Op grond van het vorenstaande, bezien in het licht van de in meergenoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004 neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS, is de Raad van oordeel dat de onderhavige schatting een nog als toereikend aan te merken niveau van transparantie, verifieerbaarheid en toetsbaarheid ontbeert.

Dit leidt er toe dat het bestreden besluit alsmede de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond is verklaard, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, tweede lid, van de Awb, dienen te worden vernietigd.

In hoger beroep heeft het Uwv van de voor de schatting gebruikte functies formulieren “Resultaat functiebeoordeling” overgelegd, die zijn opgesteld op basis van het CBBS zoals dit is aangepast naar aanleiding van de uitspraken van

9 november 2004. Op basis hiervan heeft de bezwaararbeidskundige in genoemd rapport van 14 februari 2006 ten aanzien van de met een “M” aangeduide belastingaspecten aangegeven waarom deze de mogelijkheden van appellant niet te boven gaan. De Raad ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze motivering te twijfelen. De eerst ter zitting naar voren gebrachte bezwaren ter zake van bepaalde aspecten leiden de Raad niet tot een ander oordeel.

De Raad stelt vast dat het bestreden besluit voor 1 juli 2005 is genomen en dat in de hoger beroepsfase uiteindelijk de hiervoor gewenst geachte onderbouwing is gegeven. Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel in stand kunnen worden gelaten.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 563,50,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg, waarbij in aanmerking wordt genomen dat in beroep reeds een bedrag van € 80,50 is toegekend, en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

Voorts dient het Uwv het griffierecht in beroep (€ 37,-) en hoger beroep (€ 103,-) aan appellant te vergoeden. Gelet hierop behoeft de grief van appellant dat de rechtbank verzuimd heeft het Uwv te veroordelen in het griffierecht geen bespreking.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep ongegrond is verklaard;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1207,50, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van totaal € 140,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.C. Bruning en E. Dijt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) P. van der Wal