Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2898

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-11-2006
Datum publicatie
23-11-2006
Zaaknummer
05-5246 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Niet woonachtig op het opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5246 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2005, 04/4552 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 21 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.O. Wattilete, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2006. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.L. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant heeft op 7 april 2004 bijstand aangevraagd ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

De Sociale Dienst Amsterdam (hierna: sociale dienst) heeft naar aanleiding van de aanvraag een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellant. In dat kader zijn op 22 april 2004 en 26 april 2004 huisbezoeken gebracht aan de woning op het adres [adres 1] te Amsterdam, is de hoofdbewoner van dat adres (een tante van appellant) gehoord en heeft appellant een verklaring afgelegd. Op basis van de onderzoeksbevindingen, waarvan verslag is gedaan in een rapport van 29 maart (lees: april) 2004, heeft het College bij besluit van 25 juni 2004 de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat appellant niet woonachtig is op het door hem opgegeven adres [adres 1] te Amsterdam.

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 26 augustus 2004 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat hij woont op het door hem bij het College opgegeven adres

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden. De belanghebbende is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant ten tijde hier van belang niet woonachtig was op het door hem opgegeven adres en verwijst naar de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook de Raad hecht hierbij in het bijzonder betekenis aan de verklaring die de tante van appellant op 22 april 2004 tegenover medewerkers van de sociale dienst heeft afgelegd. Zij heeft toen onder meer verklaard dat appellant de afgelopen maanden gemiddeld één à twee keer per week op het door hem opgegeven adres heeft geslapen. De Raad kan appellant niet volgen in zijn stelling dat de medewerkers van de sociale dienst als gevolg van de gebrekkige taalbeheersing van zijn tante zelf inhoud hebben gegeven aan haar verklaring. Appellant heeft zijn stelling niet onderbouwd en de Raad heeft evenmin in de gedingstukken aanknopingspunten gevonden die deze stelling ondersteunen. Aan de verklaringen van de oom van appellant van 5 april 2004, 13 augustus 2004 en 31 augustus 2004 kent de Raad niet de betekenis toe die appellant daaraan gehecht wil zien. Het gaat hier immers om standaardverklaringen waaruit niet blijkt op grond van welke feiten en omstandigheden die oom tot de conclusie komt dat appellant op de [adres 1] woonachtig is.

Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat appellant onjuiste dan wel onvolledige gegevens heeft verstrekt omtrent zijn woonadres. Daarmee is hij tekort geschoten in de nakoming van de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting. De Raad is voorts van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant ten tijde hier van belang verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Het College heeft derhalve de aanvraag om bijstand van appellant van 7 april 2004 terecht afgewezen.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en A.B.J. van der Ham en J.J.A. Kooijman als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 november 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.