Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2401

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-11-2006
Datum publicatie
16-11-2006
Zaaknummer
05-6438 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ziekmelding vanuit WAO-uitkering. Geschikt voor zijn arbeid. Voldoende zorgvuldig medisch onderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/6438 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 25 oktober 2005, 05/1615 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 15 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge. Tevens is namens appellant het woord gevoerd door diens dochter H. Kondu. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.L. Weltevrede, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

Appellant was per 23 juni 2003 in het genot van een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45% en van een uitkering in het kader van de Werkloosheidwet.

Op 14 april 2004 heeft appellant zich ziek gemeld. Naar aanleiding daarvan is hem per die datum een uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant heeft nadien enige malen het spreekuur van de verzekeringsgeneeskundigen van het Uwv bezocht. Naar aanleiding van een onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige op 24 december 2004, is geconcludeerd dat appellant weer geschikt werd geacht om zijn werkzaamheden te verrichten. Bij besluit van 29 december 2004 is bekend gemaakt dat de ZW-uitkering per 27 december 2004 was beëindigd.

Bij het thans bestreden besluit van 6 april 2005 heeft het Uwv het besluit van 29 december 2004 gehandhaafd. Daarbij is overwogen dat appellant nog wel beperkingen ondervindt, maar dat hij ondanks die beperkingen in staat is om zijn arbeid te verrichten. Aangezien appellant in het genot was van een WAO-uitkering, is het Uwv voor de beantwoording van de vraag wat de arbeid van appellant was, uitgegaan van de functies die hem in het kader van de WAO-beoordeling zijn voorgehouden. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellant de destijds geduide functie van telefonist/receptionist/typist kan verrichten.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dat beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Kort gezegd komen de stellingen van appellant er in hoger beroep, net als in beroep, op neer dat het door het Uwv verrichte medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest, dat de beperkingen bij appellant onjuist zijn vastgesteld en dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende is gemotiveerd.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad moet als maatstaf voor het begrip ‘zijn arbeid’ in artikel 19 van de ZW ten aanzien van degene aan wie een WAO-uitkering is toegekend, worden uitgegaan van de terzake van die WAO-uitkering geduide functies.

De geschiktheid voor één van die functies is voldoende om geschiktheid voor ‘zijn arbeid’ te concluderen. Uitgaande van deze maatstaf heeft het Uwv zich ten aanzien van de vraag of appellant nog langer in aanmerking kwam voor een ZW-uitkering terecht kunnen beperken tot een beoordeling van de geschiktheid van appellant voor de functie van telefonist/receptionist/typist.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv terzake van die geschiktheid een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft gepleegd. Het Uwv heeft rekening gehouden met de door appellant ingebrachte medische informatie. Daarbij heeft het Uwv gemotiveerd weergegeven waarom de mening van de door appellant geraadpleegde orthopedisch chirurg dat appellant niet belastbaar zou zijn, niet wordt gevolgd. Zoals ook ter zitting door de gemachtigde van het Uwv is aangegeven, heeft appellant zich na de datum in geding wederom ziek gemeld en is in verband daarmee door het Uwv onderkend dat zijn gezondheidsklachten zijn toegenomen. Dat betekent echter niet dat het Uwv ten tijde in geding tot een verkeerde conclusie is gekomen. Zoals ook de rechtbank heeft vastgesteld gaf de informatie van neuroloog W.C. Baard van 8 oktober 2004 of het medicijngebruik van appellant daar evenmin aanleiding toe.

Nu appellant niet aan de hand van medische gegevens heeft aangetoond waarom hij de functie van telefonist/receptionist/typist niet kon vervullen, berust het bestreden besluit op een juiste grondslag. Aangezien appellant ook overigens niet heeft aangetoond dat het bestreden besluit onjuist is, kan dat besluit in stand blijven.

De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en H.G. Rottier en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006.

(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.

(get.) J.J. Janssen.

Gw