Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ2116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-11-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
05-5694 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering met terugwerkende kracht aanvullende beurs toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5694 WSF

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 9 augustus 2005, nr. 05/448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep)

Datum uitspraak: 10 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De IB-Groep heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2006. Appellant is in persoon verschenen. De IB-Groep was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

Appellant heeft op 7 september 2003 een (VO18+)formulier ingezonden waarop hij bij de vraag 'Welke tegemoetkoming wil je' zowel 'basistoelage' als 'basistoelage en aanvullende toelage' heeft aangekruist. De IB-Groep heeft daarop aan appellant bericht dat hij, gezien de opleiding die appellant volgt, onder de Wet studiefinanciering 2000 valt en dat hij voor het aanvragen van studiefinanciering een ander formulier moet gebruiken. Met het daartoe bestemde formulier heeft appellant vervolgens op 18 september 2003 studiefinanciering aangevraagd. Hij heeft echter abusievelijk verzuimd om op dat formulier aan te kruisen dat hij ook voor een aanvullende beurs in aanmerking wenste te komen. De IB-Groep heeft hem vervolgens bij besluit van 17 oktober 2003 studiefinanciering toegekend in de vorm van een basisbeurs en een OV-studentenkaart. Appellant heeft tegen dat besluit geen bezwaarschrift ingediend. Hij stelt dat hij en/of zijn moeder wel tientallen keren hebben gebeld met de IB-Groep over het niet ontvangen van een aanvullende beurs. Hij is uiteindelijk verwezen naar de servicebalie te Deventer, waar een medewerkster hem behulpzaam is geweest met het indienen van een aanvraag om toekenning van een aanvullende beurs. Deze medewerkster zou appellant voorts hebben aangeraden schriftelijk om toekenning met terugwerkende kracht te vragen en, in geval van afwijzing, een bezwaarschrift in te dienen. De aanvullende beurs is met ingang van 1 november 2004 toegekend. Appellant heeft bij schrijven van 23 november 2004 verzocht de aanvullende beurs met terugwerkende kracht toe te kennen.

Bij schrijven van 18 januari 2005 heeft de IB-Groep, in antwoord op de brief van appellant van 23 november 2004, meegedeeld dat zijn verzoek om toekenning van een aanvullende beurs met terugwerkende kracht is afgewezen.

Bij besluit van 24 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit) heeft de IB-Groep appellants bezwaar tegen het besluit van

18 januari 2005 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen appellant heeft aangevoerd niet aan te merken als een uitzonderlijke omstandigheid als bedoeld in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 op grond waarvan de IB-Groep gehouden zou zijn om in afwijking van de wettelijke bepalingen alsnog met terugwerkende kracht een aanvullende beurs toe te kennen.

Appellant is het niet eens met de aangevallen uitspraak. Hij stelt dat hij al die keren aan de telefoon wel degelijk aan het lijntje is gehouden. Hij stelt dat hij alles goed heeft uitgelegd, maar dat hij niet het goede antwoord heeft gekregen. Pas na een jaar, aan de balie in Deventer, kwam hij er achter dat hij wel degelijk recht had op een aanvullende beurs.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank. Appellant heeft zelf een fout gemaakt door op het studiefinancierings- aanvraagformulier niet aan te kruisen dat hij ook een aanvullende beurs wenste. Hij heeft vervolgens geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om binnen de bezwaartermijn een bezwaarschrift in te dienen tegen de toekenningsbeschikking, in welk geval de door hem bij de aanvraag gemaakte fout nog hersteld had kunnen worden. Appellant heeft er daarentegen voor gekozen om eindeloos met de IB-Groep te bellen. Er kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld wat appellant in die telefoongesprekken precies heeft gevraagd, welke informatie hem in antwoord op zijn vragen is verstrekt en hoe hij die informatie heeft begrepen. De Raad is dan ook van oordeel dat de IB-Groep in het bestreden besluit terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat aan appellant ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan en dat ook niet is gebleken dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt die moeten worden gehonoreerd.

Het hoger beroep treft derhalve geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Er zijn geen termen aanwezig voor vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 november 2006.

(get.) J. Janssen.

(get.) M.H.A. Uri.