Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1950

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
05-6879 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering van de werkgever voor zorgverlof. Ontslag. Weigering WW-uitkering: verwijtbaar werkloos.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2007, 41

Uitspraak

05/6879 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 17 oktober 2005, 05/1960, (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. M. Leijstra, advocaat te ’s-Gravenhage. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat dit geding wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.1. Appellant heeft vanaf 18 december 2002 gemiddeld 10 uur per week als chauffeur gewerkt bij uitzendbureau Tauros Team BV (hierna: werkgever), laatstelijk op basis van een uitzendovereenkomst die op 17 december 2003 is gesloten voor de duur van maximaal 26 weken.

Toen in het voorjaar van 2004 duidelijk werd dat de echtgenote van appellant een hernia-operatie zou moeten ondergaan, heeft appellant zijn werkgever gevraagd of hij een aantal vrije dagen mocht opnemen zodra bekend was wanneer de operatie zou plaatsvinden, teneinde zijn vrouw naar het ziekenhuis te kunnen brengen en gedurende de ziekenhuisopname voor de kinderen van toen 9 en 3 jaar te zorgen. De werkgever heeft geweigerd aan dit verzoek te voldoen.

Op vrijdag 2 april 2004 werd appellant door het ziekenhuis gebeld met de mededeling dat zijn vrouw op maandag 5 april 2004 zou worden geopereerd. Appellant stelde zijn werkgever direct op de hoogte en verzocht nogmaals om vrije dagen te mogen opnemen. Zijn werkgever bleef weigeren en deelde appellant mee dat hij zou worden ontslagen als hij op 5 april 2004 niet zou verschijnen. Op die datum is appellant niet op het werk verschenen.

Appellant heeft zich aanvankelijk gewend tot de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten (DSZW) voor een uitbreiding van de gedeeltelijke bijstandsuitkering die hij reeds ontving.

Eerst op 10 augustus 2004 heeft appellant een uitkering ingevolge de WW met ingang van 5 april 2004 aangevraagd.

Het Uwv heeft die aanvraag afgewezen, omdat appellant op de aangegeven datum niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Appellant heeft vervolgens een WW-uitkering aangevraagd met ingang van 9 april 2004. Bij besluit van 6 oktober 2004 heeft het Uwv die uitkering blijvend geheel geweigerd omdat appellant verwijtbaar werkloos is geworden door -zonder dat dit noodzakelijk was- ontslag te nemen.

Het Uwv heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard bij het besluit van 11 februari 2005, het bestreden besluit.

Daarbij is, na het citeren van de leden 1 en 2 van artikel 24 van de WW, onder meer het volgende overwogen:

“Door het gebrek aan adequate opvang voor uw kinderen en uw zieke echtgenote in uw omgeving zag u zich genoodzaakt thuis te blijven in verband met zorgtaken. Uw werkgever wilde geen medewerking verlenen aan het vinden van een passende oplossing.

De Nederlandse wetgever heeft voor deze situaties de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) in het leven geroepen. In bezwaar is niet gebleken dat u een beroep heeft gedaan op deze regeling. Ook is niet gebleken dat u instanties zoals het CWI/UWV/GSD of het Bureau voor Rechtshulp heeft benaderd met de vraag hoe te handelen in deze situatie.

Ook heeft u na het (naar uw zeggen gegeven) ontslag geen arbeidsrechtelijke stappen genomen tegen het ontslag.

Ondergetekende is dan ook van mening dat u niet voldoende inspanningen heeft verricht om uw arbeid bij Tauros te behouden. U bent bovenvermelde verplichting dan ook in onvoldoende mate nagekomen. Het niet bekend zijn met ingewikkelde regelgeving leidt niet tot een verminderde verwijtbaarheid.

(…) De WW-uitkering is ingaande 9 april 2004 terecht volledig geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid.”

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant de dienstbetrekking beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

4. In hoger beroep is door appellant opnieuw het standpunt ingenomen dat hij niet zelf ontslag heeft genomen, maar door zijn werkgever is ontslagen nadat hij -om gegronde redenen- niet op zijn werk was verschenen. Appellant heeft verder aangevoerd dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij het ontslag niet heeft aangevochten, nu zijn bijstandsambtenaar hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid om de nietigheid van het ontslag in te roepen en heeft nagelaten hem door te verwijzen naar het Uwv voor het aanvragen van een WW-uitkering, aldus de gemachtigde van appellant.

5. De Raad overweegt het volgende.

5.1. Gelet op de bewoordingen van het bestreden besluit heeft het Uwv zich feitelijk op het standpunt gesteld dat appellant ontslag heeft genomen om zijn vrouw naar het ziekenhuis te kunnen brengen en voor zijn kinderen te zorgen.

Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 28 april 1995, LJN ZC1716, JAR 1995/111, NJ 1995/651, is de Raad van oordeel dat het Uwv daarmee van een onjuist uitgangspunt is uitgegaan. In het onderhavige geval gaat het veeleer om een situatie waarin de werkgever bij voorbaat heeft aangekondigd de werknemer op staande voet te ontslaan als hij op een bepaalde dag niet komt werken. Nu appellant op 5 april 2004 inderdaad niet op zijn werk is verschenen, is de voorwaarde vervuld en behoefde de werkgever appellant niet nogmaals mede te delen dat hij op staande voet is ontslagen.

Voorts kan niet worden aangenomen dat appellant met het hem gegeven ontslag heeft ingestemd, aangezien een duidelijke en ondubbelzinnig daarop gerichte verklaring ontbreekt. Appellant heeft zich, naar uit de gedingstukken blijkt, op 9 april 2004 wederom bij zijn werkgever gemeld, maar is niet in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden te hervatten, omdat de werkgever iemand anders in zijn plaats had aangenomen.

5.2. Vervolgens heeft het Uwv in het bestreden besluit de vraag centraal gesteld of de werkloosheid die op 9 april 2004 is ontstaan appellant kan worden verweten dan wel of deze werkloosheid had kunnen worden voorkomen. In de daaropvolgende overwegingen wordt de conclusie getrokken dat de WW-uitkering ingaande 9 april 2004 terecht volledig is geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid, echter zonder dat duidelijk wordt welke van de in artikel 24 van de WW neergelegde verplichtingen appellant naar de mening van het Uwv heeft overtreden. De aldus geconstateerde onduidelijkheid over de vraag op welke grondslag de opgelegde maatregel berust, dient naar het oordeel van de Raad te leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5.3. De Raad acht het in dit geval niet aangewezen de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Het Uwv zal opnieuw op de bezwaren van appellant dienen te beslissen, daarbij rekening houdend met de volgende aspecten:

- heeft appellant verwijtbaar jegens zijn werkgever gehandeld in de zin van artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW, nu deze niet heeft willen voldoen aan een -door de Raad als zodanig aangemerkt- reëel verzoek om toepassing van de Wet Arbeid en Zorg;

- kan het appellant, indien artikel 24, tweede lid, aanhef en onder b, van de WW aan de orde is, verweten worden dat hij het hem gegeven ontslag niet heeft aangevochten;

- vormt in dat geval het gegeven dat de arbeidsovereenkomst van appellant op 23 juni 2004 van rechtswege zou eindigen, aanleiding voor toepassing van de Interne richtlijnen die het Uwv heeft opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 13 september 2000 (ZB8966, USZ 2000/298 en RSV 2001/5), die erop neerkomen dat in bepaalde gevallen een maatregel in verband met het plegen van een benadelingshandeling de meest passende reactie is indien aan de dienstbetrekking binnen drie maanden toch een einde zou zijn gekomen.

6. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd en dat het Uwv wordt opgedragen opnieuw op de bezwaren van appellant te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

7. Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de aan de zijde van appellant gevallen kosten, begroot op € 644,-- wegens in eerste aanleg en € 644,-- wegens in hoger beroep verleende rechtsbijstand. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de Raad niet gebleken.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen opnieuw op de bezwaren van appellant beslist;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in beide instanties betaalde griffierecht ten bedrage van € 140,-- (€ 37,-- + € 103,--) aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en B.M. van Dun en H.T. van der Meer als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) P. Boer.

HD

17.10