Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1878

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-07-2006
Datum publicatie
09-11-2006
Zaaknummer
06-3740 AW-VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spoedeisend belang. Nieuw besluit nemen op verbeurte van een dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/3740 AW-VV

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:

[verzoeker] (hierna: verzoeker),

in verband met het hoger beroep van:

het College van bestuur van Wageningen Universiteit

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2005, 04/2404 en 05/135 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

verzoeker

en

het College van bestuur van Wageningen Universiteit (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 juli 2006

I. PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven.

II. OVERWEGINGEN

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoeker is met ingang van 1 september 2003 aangesteld in de functie van universitair docent bij Wageningen Universiteit op basis van een tijdelijke aanstelling met een proeftijd tot 1 september 2004.

Bij besluit van 28 mei 2004 is verzoeker meegedeeld dat zijn aanstelling ingaande 1 september 2004 van rechtswege eindigt. Het College heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 7 september 2004.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover thans van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in voldoende mate is komen vast te staan dat het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de Bezwarenadviescommissie van

1 september 2004 is uitgebracht door een voltallige commissie als bedoeld in artikel 7:13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank heeft het College opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.2. Gedaagde heeft tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld.

3. Namens verzoeker heeft mr. H.S.P. Stuiver, advocaat te De Meern, op 17 maart 2006 beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem tegen het uitblijven van een, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, nieuw besluit op bezwaar. De rechtbank heeft dit beroep doorgezonden aan de Raad.

Op 27 juni 2006 is namens verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen, aangezien het College geen uitvoering geeft aan de aangevallen uitspraak.

4. De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

4.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Overeenkomstig vaste rechtspraak van de Raad dient in hoger beroep ook de door verzoeker aangevochten (fictieve) weigering om te beslissen met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24, eerste lid, van de Awb te worden beoordeeld. In dat kader kan ook een voorlopige voorziening worden getroffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2. De voorzieningenrechter constateert dat door het College geen voorlopige voorziening is gevraagd ten einde de werking van de aangevallen uitspraak op te schorten. Het College was derhalve gehouden om ter uitvoering van die uitspraak een nader besluit te nemen.

4.3. Uit de beschikbare gegevens blijkt dat verzoeker bij brieven van 9 december 2005 en 22 december 2005 bij het College heeft aangedrongen op toezending van het nieuwe besluit. Op 29 december 2005 bericht het College dat de bezwarencommissie opnieuw om advies zal worden gevraagd. Op 2 februari 2006 heeft verzoeker nog gedingstukken aan het College gezonden met het verzoek deze te betrekken bij de besluitvorming. Vervolgens heeft verzoeker op 17 maart 2006 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op bezwaar. Kennelijk is dat voor het College geen aanleiding geweest het nemen van een nieuw besluit te bespoedigen.

4.4. Op 5 juli 2006 heeft de Bezwarenadviescommissie bericht dat vanwege de complexiteit van het geding en het grote aantal gedingstukken die verzoeker heeft toegezonden, verwacht wordt dat het advies eind juli 2006 door de commissie zal worden uitgebracht. Vervolgens heeft het College bij brief van 11 juli 2006 aangegeven dat naar verwachting het College binnen veertien dagen na ontvangst van het advies van de Bezwarenadviescommissie een nieuw besluit op bezwaar zal kunnen nemen.

4.5. De voorzieningenrechter ziet geen rechtvaardiging voor het uitblijven van een nieuw besluit op het bezwaarschrift van verzoeker.

De complexiteit van het geding en de vele gedingstukken die verzoeker zou hebben ingezonden -wat daar verder ook van zij- doen er naar het oordeel van de voorzieningenrechter immers niet aan af dat de nadere besluitvorming door het College (veel) eerder plaats had kunnen en behoren te vinden.

4.6. In aanmerking genomen dat na de uitspraak van de rechtbank reeds acht maanden zijn verstreken, het College slechts verwachtingen uitspreekt en geen zekerheid geeft met betrekking tot de tijdspanne waarbinnen het nieuwe besluit op bezwaar genomen zal worden, en verzoeker reeds vanaf december 2005 bij het College erop aandringt een nieuw besluit te nemen, is de voorzieningenrechter dan ook van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

4.7. Het College wordt daarom thans opgedragen het met inachtneming van de aangevallen uitspraak van 17 november 2005 te nemen besluit uiterlijk op 10 augustus 2006 aan verzoeker bekend te maken. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om aan het niet tijdig nakomen van deze voorziening een dwangsom te verbinden.

5. De voorzieningenrechter ziet in het vorenstaande aanleiding het College met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van verzoeker ten bedrage van € 322,- aan proceskosten.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe;

Geeft het College de opdracht om ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 17 november 2005 een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit uiterlijk 10 augustus 2006 aan verzoeker bekend te maken, op verbeurte van een dwangsom van € 250,- voor elke dag dat het College hiermee in gebreke blijft;

Veroordeelt het College in de proceskosten van verzoeker ten bedrag van € 322,- aan proceskosten, te betalen door Wageningen Universiteit;

Bepaalt dat Wageningen Universiteit aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 141,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Serno als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2006.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) B. Serno.