Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1603

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-11-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
04-5864 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering. Klachten van betrokkene houden geen verband met ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/5864 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 9 september 2004, 03/912 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 3 november 2006

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006. Appellant is daar in persoon verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B. Drossaert.

II. OVERWEGINGEN

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het besluit van het Uwv van 20 februari 2003, waarbij het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 september 2002 ongegrond heeft verklaard, in rechte kan standhouden. Met het besluit van 25 september 2002 heeft het Uwv – onder gelijktijdige intrekking van een eerder besluit – geweigerd aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, om reden dat op de datum van het einde van het ambtenaarschap (1 januari 2001) en binnen een maand nadien de klachten van appellant geen verband houden met ziekte of gebrek in de zin van de WAO.

De rechtbank heeft overwogen het besluit van 20 februari 2003 (hierna: bestreden besluit) zo te lezen dat het Uwv zich op het standpunt stelt dat in de maand januari 2001 of eerder geen sprake was van klachten die verband houden met ziekte of gebrek in de zin van de WAO. De rechtbank heeft bovenvermelde rechtsvraag bevestigend beantwoord en het beroep derhalve ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat van meet af aan onzorgvuldig met zijn zaak is omgegaan. Voorts acht appellant het ontoelaatbaar dat hij ter zitting van de rechtbank een paar minuten de tijd kreeg om het door de rechtbank bij het Uwv opgevraagde volledige verslag van het onderzoek door de verzekeringsarts te lezen nu er in die rapportage een overdreven positief en misplaatst beeld van hem wordt geschetst, waarbij bovendien pertinente onwaarheden worden vermeld. Ook heeft appellant herhaald het onzorgvuldig te achten dat de (bezwaar)verzekeringsarts geen informatie heeft opgevraagd bij de huisarts. Appellant heeft de Raad verzocht een zenuwarts als deskundige te benoemen. Tenslotte heeft appellant gesteld dat uit het feit dat hij eind 2004 wel arbeidsongeschikt is bevonden voor de beduidend lichtere functie van personeelsfunctionaris gedurende 20 uur per week, moet worden opgemaakt dat het Uwv maar wat doet.

Ten aanzien van de gang van zaken bij de rechtbank overweegt de Raad niet in te zien dat deze onzorgvuldig zou zijn. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechtbank bij het Uwv een volledig exemplaar van de rapportage van de verzekeringsarts

J.A.G. Wijnen van 4 april 2002 heeft opgevraagd. Uit de gedingstukken is voorts op te maken dat de rechtbank een afschrift van deze rapportage heeft gestuurd aan appellant, maar dat deze die niet heeft ontvangen. Toen dit laatste ter zitting van de rechtbank duidelijk werd, heeft de rechtbank de zitting een paar minuten geschorst, teneinde appellant in de gelegenheid te stellen alsnog kennis te nemen van de rapportage.

Na deze schorsing heeft appellant desgevraagd aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft dat de rapportage wordt meegenomen in deze procedure. Indien appellant zich door de vraag van de rechtbank dan wel door de inhoud van de rapportage overvallen voelde, had het op zijn weg gelegen de toestemming om de rapportage mee te nemen in de procedure te weigeren. Desnoods had appellant nog kort na die zitting aan de rechtbank kunnen meedelen dat hij zich toch nog nader op die rapportage wil beraden, in een (wellicht) vergeefse poging enig respijt te krijgen, maar ook dat heeft appellant niet gedaan.

Ten aanzien van het bestreden besluit overweegt de Raad in de eerste plaats dat de omstandigheid dat het Uwv – op z’n mildst gezegd – niet erg handig is omgegaan met appellants ziekmelding (door hem eerst te verwijzen naar een andere uitvoeringsinstantie en vervolgens een besluit te nemen met een verkeerde beoordelingsdatum, welk besluit na onderzoek in de bezwaarfase niet kon worden gehandhaafd) nog niet de conclusie rechtvaardigt dat daardoor het thans bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid. Het is immers heel wel mogelijk dat het Uwv na aanvankelijk op het verkeerde spoor te hebben gezeten, het bestreden wèl besluit zorgvuldig heeft voorbereid. De Raad is van oordeel dat van dat laatste in het onderhavige geval sprake is.

De Raad kan zich verenigen met de conclusies en overwegingen van de rechtbank.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen aanleiding bestaat het onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts onzorgvuldig te achten.

Voor wat betreft het niet opvragen van informatie door de (bezwaar) verzekeringsarts bij appellants huisarts, is de Raad van oordeel dat het Uwv terecht tot de conclusie is gekomen dat de verzekeringsarts over voldoende medische informatie beschikte.

Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts na observatie en onderzoek (met daarbij de constatering dat geen medische behandelrelatie bestaat en appellant ook in het verleden geen medisch specialistische hulp had gezocht) tot de conclusie is gekomen dat geen psychopathologie kan worden geobjectiveerd en de functie van het bewegingsapparaat niet beperkt is, zodat derhalve – ten tijde van het onderzoek in april 2002 – geen beperkingen waren te duiden als gevolg van ziekte of gebrek.

Voorts heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellant ten tijde van het onderzoek meer hinder ondervond van zijn klachten dan in het verleden. Hieruit volgt dat de conclusie van de verzekeringsarts over de situatie in april 2002 zeker ook gold voor de daarvóór gelegen datum in geding.

Dat de rapportage van de verzekeringsarts een overdreven positief en misplaatst beeld van appellant schetst waarbij pertinente onwaarheden worden vermeld, is de Raad niet gebleken; appellant heeft zijn stelling dienaangaande ook niet is onderbouwd.

Gelet op het bovenstaande ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellant tot het instellen van een nader medisch onderzoek te honoreren.

Aan de omstandigheid dat de arbeidsdeskundige F.J.M. van den Bliek in zijn brief van 23 november 2004 heeft geconcludeerd dat appellant op 10 november 2004 zijn oorspronkelijke werk (dat volgens appellant lichter is dan de maatmanarbeid behorende bij het thans bestreden besluit) nog niet (volledig) kan verrichten, kan de Raad niet de betekenis toekennen die appellant daaraan toegekend wil zien. In het onderhavige geval gaat het immers om de gezondheidssituatie van appellant rond 1 januari 2001, terwijl in de door appellant toegestuurde brief een oordeel wordt gegeven over de situatie ruim drie jaar later. Daaruit kunnen geen conclusies worden getrokken voor de situatie rond

1 januari 2001.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar 3 november 2006.

(get.) G.J.H. Doornewaard.

(get.) N.E. Nijdam.

Gw