Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1597

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-10-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
04-2230 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van onherroepelijk geworden uitspraak. Niet voldaan aan voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

04/2230 AAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het verzoek om herziening van:

[verzoeker], (hierna: verzoeker)

van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 maart 2004,

01/5788 AAW,

in het geding tussen:

verzoeker,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).

Datum uitspraak: 27 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat te Utrecht, een verzoek om herziening ingediend van de hiervoor genoemde uitspraak.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 4 augustus 2006. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Het Uwv is met voorafgaand bericht eveneens niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

Voor een meer uitgebreide weergave van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de hierna te noemen uitspraak van de rechtbank Utrecht van

7 september 2001 en de uitspraak van de Raad waarvan herziening is gevraagd. Hier volstaat de Raad met het volgende.

Verzoeker, geboren [in] 1978, was in 1994 via een leerovereenkomst , in het kader waarvan hij ook werkzaamheden verrichtte, in opleiding c.q. werkzaam bij de Stichting Metaalelectro Opleidingen Rijndelta te Barendrecht. In 1995 is verzoeker veroordeeld tot een gevangenisstraf en is hem de maatregel van TBS opgelegd in verband waarmee hij sedert mei 1995 in de Van der Hoevenkliniek te Utrecht verbleef. Op 2 april 1996 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot het ontvangen van uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), waarbij hij heeft aangegeven sedert

13 juni 1995 arbeidsongeschikt te zijn. Bij besluit van 23 november 1996 heeft de (toenmalige) Bedrijfsvereniging voor de Metaalindustrie en de Electrotechnische Industrie (hierna BV10) deze aanvraag afgewezen.

Het namens verzoeker tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Utrecht bij uitspraak van 8 oktober 1998, AWB 97/14, niet-ontvankelijk verklaard in verband met niet tijdige betaling van griffierecht. Bij uitspraak van 22 mei 2001 op het namens verzoeker ingestelde hoger beroep heeft de Raad de uitspraak van 8 oktober 1998 bevestigd.

Inmiddels had verzoeker op 2 juni 1998 een nieuwe aanvraag voor het ontvangen van AAW-uitkering ingediend, waarbij wederom als eerste arbeidsongeschiktheidsdag

13 juni 1995 werd genoemd. Het Landelijk instituut voor sociale verzekeringen (verder Lisv) heeft deze aanvraag opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van

23 november 1996 en bij besluit van 26 januari 1999 dit verzoek afgewezen. Namens verzoeker is bezwaar ingediend tegen dit besluit. Daarbij is met name gesteld dat de BV10 niet het bevoegde bestuursorgaan was om het besluit van 23 november 1996 te nemen, maar dat een besluit terzake door de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging genomen had moeten worden. Bij besluit van 23 juli 1999 heeft het Lisv verzoeker medegedeeld, dat alsnog is besloten het verzoek om terug te komen van voormeld besluit van BV10 niet in behandeling te nemen, onder meer omdat dit besluit in verband met de nog lopende procedure in hoger beroep (nog) niet rechtens onaantastbaar was geworden.

Namens verzoeker is beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van

6 november 2000, SBR 1999/1760 heeft de rechtbank Utrecht het beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 juli 1999 vernietigd en het Lisv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met bepalingen omtrent vergoeding van griffierecht en betaling van proceskosten. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het Lisv bij besluit van 25 januari 2001 besloten het verzoek om terug te komen van het besluit van

23 november 1996 af te wijzen. Daartoe heeft het Lisv onder meer overwogen, dat de door verzoeker aangevoerde onbevoegdheid van BV10 al in de eerdere procedure bij de rechtbank Utrecht aan de orde is geweest, waaraan niet afdoet dat daarover in verband met de niet tijdige betaling van griffierecht, niet inhoudelijk is beslist; van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is derhalve geen sprake. Tevens is overwogen dat, ook al ware dit anders, de volgens verzoeker wel bevoegde bedrijfsvereniging, mede gelet op het feit dat deze eveneens in administratie was bij het GAK, zeer waarschijnlijk dezelfde beslissing zou hebben genomen.

Namens verzoeker is beroep ingesteld tegen dit besluit. Bij uitspraak van

7 september 2001, SBR 01/440, heeft de rechtbank Utrecht het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer geoordeeld, dat, nu uit het proces-verbaal van de zitting van 18 augustus 1998 van de rechtbank in de eerdere procedure is gebleken dat de kwestie van de eventuele onbevoegdheid van BV10 daar aan de orde is geweest, niet met recht van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb kan worden gesproken. Bovendien bestaat er geen aanleiding om te veronderstellen, dat de volgens verzoeker wel bevoegde bedrijfsvereniging een ander besluit zou hebben genomen, mede gezien het feit dat in het geheel geen nieuwe medische gegevens in het geding zijn gebracht.

In het namens verzoeker ingestelde hoger beroep tegen deze uitspraak is er onder meer op gewezen, dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het gegeven, dat namens verzoeker ook nimmer is gesteld, dat een ander besluit zou zijn genomen door het wel bevoegde orgaan.

De Raad heeft in de eerder genoemde uitspraak van 9 maart 2004 het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft de Raad overwogen, dat de Raad, daargelaten of nog wel van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb kan worden gesproken, onvoldoende (proces)belang ziet om appellant (thans verzoeker) nog steeds in het aan de orde zijnde hoger beroep ontvankelijk te achten, zulks mede gelet op de in hoger beroep naar voren gebrachte stelling dat de beslissing tot weigering van AAW-uitkering op zichzelf niet inhoudelijk wordt bestreden.

Namens verzoeker is als aangegeven, een verzoek gedaan om de uitspraak van de Raad van 9 maart 2004 te herzien. Daarbij is erop gewezen, dat verzoeker met de stelling dat nimmer is betoogd dat het wel bevoegde orgaan tot een ander besluit zou zijn gekomen, slechts is beoogd te stellen dat niet dit aspect - het al dan niet waarschijnlijk zijn van een ander besluit - aan de orde is, maar slechts de onbevoegdheid welke zonder meer tot vernietiging van het besluit van 23 november 1996 had moeten leiden.

De Raad oordeelt als volgt.

Verzoeker heeft verzocht om herziening van een onherroepelijk geworden uitspraak. Binnen het systeem van de Awb is, anders dan verzoeker kennelijk veronderstelt, artikel 8:88 van die wet het enige toetsingskader ten aanzien van dergelijke verzoeken.

De Raad stelt vervolgens vast, dat het hier aan de orde zijnde verzoek niet voldoet aan de voorwaarden die dit artikel stelt om tot herziening over te kunnen gaan. Daargelaten of hetgeen verzoeker stelt valt te brengen onder “feiten of omstandigheden die (…) hebben plaatsgevonden voor de uitspraak” (ten aanzien waarvan herziening wordt verzocht) - het gaat immers om een interpretatie van het hoger beroepschrift -, er is in elk geval geen sprake van feiten die de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren.

Voor zover verzoeker heeft beoogd om de toepassing van artikel 4:6 Awb opnieuw aan de orde te stellen, merkt de Raad op dat de rechtstrijd daarover reeds met de uitspraak van de Raad van 9 maart 2004 is beslist.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel

8:75 van de Awb omtrent het vergoeden van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om herziening af.

De uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J. Brand en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2006.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) M. Gunter.

RB2609