Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1584

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
05-4950 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Geen hoofdverblijf in de gemeente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2007, 12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/4950 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 29 juni 2005, nr. 04/1029 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Kerkrade (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Ograjensek, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Heerlen, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op 19 september 2006, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving vanaf 1 juli 1995 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van ingekomen informatie dat appellante in Rotterdam woonde heeft de sociale recherche onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij zijn onder meer appellante en enkele buren uit de omgeving van haar adres in Kerkrade gehoord. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 25 april 2003, heeft het College bij besluit van 28 april 2003 de bijstand van appellante over de periode van 1 juli 1995 tot 4 december 2002 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot 4 december 2002 tot een bedrag van € 62.829,59 van haar teruggevorderd. De besluitvorming is gebaseerd op de overweging dat appellante met [betrokkene] op zijn adres te Rotterdam een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd.

Bij besluit van 8 juni 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2003 ongegrond verklaard. Daarbij is de periode waarover de bijstand wordt ingetrokken nader bepaald op 1 juli 1997 tot 4 december 2002 en is mede aan de intrekking en de terugvordering ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde in geding buiten de gemeente Kerkrade verbleef.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 juni 2004 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Abw bestaat recht op bijstand jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek. De vraag waar iemand woonplaats heeft dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.

Naar het oordeel van de Raad bieden de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag voor de conclusie van het College, dat appellante in de in geding zijnde periode haar hoofdverblijf niet had in de gemeente Kerkrade. Daarbij kent de Raad doorslaggevende betekenis toe aan de door appellante op 3 december 2002 en 15 januari 2003 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen, waarin is aangegeven dat zij kort na het overlijden van haar echtgenoot op 15 december 1993 in Rotterdam is gaan wonen, aanvankelijk op het adres [adres 1] en later op het adres [adres 2]. Zij verbleef daar volgens eigen zeggen de gehele week en kwam alleen naar Limburg voor postverwerking en ziekenhuisbezoek.

Appellante heeft aangevoerd dat zij ten tijde in geding dusdanige psychische problemen ondervond dat zij niet aan deze verklaringen kan worden gehouden. De Raad ziet evenwel - evenals de rechtbank - geen aanleiding af te wijken van de vaste rechtspraak dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of ontkenning van de inhoud daarvan in het algemeen weinig betekenis kan worden gehecht. Dienaangaande overweegt de Raad dat de verklaringen aan appellante zijn voorgelezen en dat zij iedere bladzijde van haar verklaring afzonderlijk heeft ondertekend zonder daarbij een voorbehoud te maken. Voorts acht de Raad van belang dat appellante in de tweede verklaring heeft gesteld dat zij blijft bij hetgeen zij eerder tegenover de sociale recherche heeft verklaard. Dat appellante bij het afleggen van haar verklaringen zodanige psychische problemen ondervond dat deze verklaringen buiten beschouwing moeten blijven, is niet aan de hand van objectieve, verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt. De in hoger beroep overgelegde medische verklaring van 11 augustus 2005 doet naar het oordeel van de Raad aan het voorgaande geen afbreuk nu daaruit niet valt af te leiden dat appellante destijds om psychische redenen of wegens een psychisch ziektebeeld zonder meer tot ondertekening van haar verklaringen is overgegaan. Aan het door appellante eveneens in hoger beroep overgelegde op haar betrekking hebbende voorlichtingsrapport van de reclassering kan de Raad om dezelfde reden evenmin betekenis hechten. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat er onvoldoende grondslag is voor de stelling dat appellante niet in staat is geweest om over haar woon- en leefsituatie te verklaren en dat evenmin kan worden gezegd dat de verklaring van appellante, zoals door haar ondertekend, niet weergeeft hetgeen zij daadwerkelijk heeft verklaard. De Raad voegt aan het voorgaande nog toe dat de verklaringen van appellante ook sporen met de verklaringen van enkele buurtbewoners en met de overige bevindingen van de sociale recherche. Zo is uit de door appellante overlegde bankafschriften gebleken dat zij in de periode van november 2001 tot september 2002 vrijwel alle kasopnames in Rotterdam heeft gedaan. Aan de omstandigheid dat een van de buurtbewoners later van haar eerdere verklaring is teruggekomen gaat de Raad in het licht van het vorenstaande voorbij.

Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, brengt de vaststelling dat een persoon in de gemeente niet langer woonplaats heeft, mee dat de betrokkene reeds op die grond geen recht meer heeft op bijstand jegens die gemeente, alsmede dat in dat geval aan het bijstandverlenend orgaan niet ter beoordeling staat of de betrokkene in de gemeente waar hij wel zijn woonplaats heeft, een gezamenlijke huishouding voert. Nu aan het bestreden besluit terecht ten grondslag is gelegd dat appellante ten tijde in geding geen verblijf hield in de gemeente Kerkrade, zal de Raad de mede aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde overweging dat appellante met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd, buiten bespreking laten.

Door geen mededeling te doen van haar hoofdverblijf buiten de gemeente Kerkrade heeft appellante de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Het niet nakomen van deze verplichting heeft ertoe geleid dat aan appellante over de in geding zijnde periode ten onrechte uitkering is verleend, omdat zij geen aanspraak op bijstand meer had jegens het College. Het College was dan ook op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden om tot intrekking van het recht op bijstand over deze periode over te gaan. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om van intrekking geheel of gedeeltelijk af te zien. Met het voorgaande is gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan het College bevoegd is om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

RB1810