Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-10-2006
Datum publicatie
07-11-2006
Zaaknummer
06-192 WUV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herhaalde weigering WUV-voorziening. Totale beperking om per openbaar vervoer te reizen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

06/192 WUV

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)

en

de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)

Datum uitspraak: 26 oktober 2006

I PROCESVERLOOP

Namens appellant is beroep ingesteld tegen het onder dagtekening 30 december 2005, kenmerk JZ/V70/2005, door verweerster ten aanzien van appellant genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2006. Aldaar is voor appellant verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Heerlen, terwijl verweerster zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.

II. OVERWEGINGEN

Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1928 in het voormalige Nederlands-Indië, vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. In het verleden is aanvaard dat de psychische klachten, de maagklachten, de klachten van rug en polsen en de knieklachten van appellant in het door de Wet vereiste verband staan met de door hem ondergane vervolging. Een in september 2001 ingediende aanvraag om toekenning van een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto is door verweerster afgewezen bij besluit van 10 april 2002, onder overweging dat voor deze voorziening geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid bestaat nu geen sprake is van een totale beperking om van het openbaar vervoer gebruik te maken.

In juli 2004 heeft appellant verweerster nogmaals verzocht om hem op grond van de Wet een voorziening in de kosten van aanschaf van een auto toe te kennen. Daartoe heeft appellant aangevoerd dat zijn uit de vervolging voortvloeiende medische klachten inmiddels aanzienlijk zijn verergerd.

Ook die aanvraag heeft verweerster afgewezen en wel bij besluit van 14 januari 2005, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. Daartoe is in het bestreden besluit in het bijzonder overwogen dat appellant in staat is met anderen mee te rijden zodat geen sprake is van een onmogelijkheid om van een taxi gebruik te maken. Aan appellant is bij genoemd besluit van 14 januari 2005 wel toegekend een vergoeding van de kosten van vervoer voor het onderhouden van sociale contacten, dit op de grond dat inmiddels is gebleken dat bij appellant een totale beperking om met het openbaar vervoer te reizen aanwezig is.

In beroep is deze zienswijze van verweerster namens appellant bestreden, aanvoerend - kort gezegd - dat hij alleen kan meerijden met zeer vertrouwde personen, zoals zijn zoon, en dat hij overigens daartoe vanwege zijn achterdocht en controlebehoefte niet in staat is. Voorts is gesteld dat verweerster bij de beoordeling van de aanvraag onvoldoende in aanmerking heeft genomen dat appellant zware vervolging heeft ondergaan, te weten langdurige internering tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië.

Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.

De Raad heeft in vaste rechtspraak aanvaard dat, gelet op de aard van de gevraagde voorziening, het door verweerster in dezen gehanteerde uitgangspunt om eerst dan over te gaan tot toekenning van de gevraagde vergoeding of tegemoetkoming, indien sprake is van een absolute verhindering om van het openbaar vervoer en van een taxi gebruik te maken, in overeenstemming is met een redelijke uitleg en toepassing van de artikelen 20 en 21 van de Wet.

Het standpunt van verweerster dat bij appellant geen sprake is van een absolute verhindering om van een taxi gebruik te maken, is blijkens de gedingstukken ontleend aan het rapport d.d. 23 augustus 2005 van een op verzoek van verweerster door de arts G.M. van der Molen ingesteld medisch onderzoek van appellant, waarbij ook informatie uit de behandelende sector is betrokken. In dit rapport is, in overeenstemming met laatstgenoemde informatie, aangegeven dat onder bepaalde omstandigheden - met name de situatie dat de chauffeur een vertrouwd persoon is - meerijden met een ander wel mogelijk is, maar dat dit vaak ook niet mogelijk zal zijn.

Bij een nadere toelichting hiervan is namens verweerster ter zitting van de Raad nog benadrukt dat het begrip absolute verhindering om per taxi te reizen strikt wordt geïnterpreteerd en dat op dit punt alleen een uitzondering wordt gemaakt ingeval van zware vervolging, waaronder bij vervolging in Azië wordt verstaan: tewerkstelling aan de Burmaspoorweg, de Pakan Baroespoorweg of in de (steenkool-)mijnen in Japan.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de genoemde medische rapportage deugdelijk voorbereid en gemotiveerd.

In de voorhanden medische en andere gegevens heeft de Raad - daarbij mede in aanmerking genomen dat appellant voor zijn psychische klachten niet onder gerichte medische behandeling staat - geen aanknopingspunt gevonden om het aan deze rapportage door verweerster ontleende standpunt onjuist te oordelen. Uit die gegevens komt inderdaad naar voren dat niet onder alle omstandigheden het gebruik van de taxi is uitgesloten te achten. Alsdan kan in zoverre niet van een absolute verhindering worden gesproken. Dat verweerster het begrip absolute verhindering strikt wenst uit te leggen past binnen de door de Raad onderschreven visie op de reikwijdte van artikel 20 van de Wet ingeval van aanvragen als de onderhavige.

Voorts wordt naar het oordeel van de Raad met de omschreven uitzondering in wel zeer bijzondere gevallen van zware vervolging op zichzelf aan het criterium geen afbreuk gedaan.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond bestaat, zodat het bestreden besluit in rechte kan standhouden en het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en G.F. Walgemoed als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2006.

(get.) G.L.M.J. Stevens.

(get.) J.P. Schieveen.

HD

10.10