Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1452

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
05-3623 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorting van bijstandsuitkering wegens (eventueel) langdurig verblijf in het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 349

Uitspraak

05/3623 NABW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 21 april 2005, 04/448 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)

Datum uitspraak: 31 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.J. Brosius, advocaat te Goes, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brosius. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Koot, werkzaam bij de gemeente Almere.

II OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Mede naar aanleiding van de bij de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere binnengekomen anonieme tip dat appellant gedurende vier maanden in Brazilië heeft verbleven en op 27 juni 2003 weer terug zal zijn in Nederland, is op 30 juni 2003 met appellant een gesprek gevoerd. Bij die gelegenheid is aan appellant meegedeeld dat zijn recht op bijstand vanaf 1 juni 2003 is opgeschort. Bij brief van 1 juli 2003 heeft het College de blokkering van de betaling van de bijstand per 1 juni 2003 bevestigd. Daarbij is overwogen dat de blokkering verband houdt met een ingesteld onderzoek naar zijn recht op uitkering. Bij brief van 18 augustus 2003 heeft het College appellant meegedeeld dat de blokkering met ingang van 30 juni 2003 ongedaan is gemaakt.

Bij besluit op bezwaar van 12 maart 2004, voor zover in dit geding van belang, heeft het College de blokkering van de betaling van de bijstand over de periode van 1 juni 2003 tot en met 29 juni 2003 gehandhaafd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in dit geding van belang, het beroep tegen het besluit van 12 maart 2004 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op de blokkering en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Dit geschil betreft uitsluitend de blokkering van de betaling van de bijstand van appellant over de periode van 1 juni 2003 tot en met 29 juni 2003. De Raad stelt vast dat het College tot op heden nog geen - nader te nemen - besluit heeft genomen inzake de definitieve vaststelling van het recht op bijstand van appellant over die periode.

Of een blokkering van de betaling van de bijstand geoorloofd is hangt volgens vaste rechtspraak van de Raad af van het antwoord op de vraag of het bijstandverlenend orgaan op goede gronden van oordeel is, althans het gegronde vermoeden kan hebben, dat het recht op bijstand niet langer bestaat dan wel slechts tot een lager bedrag, of dat de inlichtingenverplichting niet is nagekomen.

Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat sprake is van een specifieke tip over een langer dan (met behoud van bijstand) toegelaten verblijf van appellant in het buitenland. Ten tijde van de blokkering bestond bij het College bovendien twijfel of de handtekeningen op de rechtmatigheidsformulieren over de aan juni 2003 voorafgaande periode wel door appellant zelf zijn geplaatst. Op grond van een en ander kon ten tijde hier van belang worden gesproken van een gegrond vermoeden dat appellant niet langer of niet ten volle recht op bijstand had en/of zijn inlichtingenverplichting had geschonden.

De Raad is verder van oordeel dat het College terecht tot de conclusie is gekomen dat geen aanleiding bestond de blokkering van de betaling van de bijstand over de in geding zijnde periode bij het besluit op bezwaar op te heffen. Appellant heeft na 1 juli 2003 geen openheid van zaken gegeven omtrent zijn verblijf in Brazilië. Hij heeft over dat verblijf immers niet willen verklaren. Weliswaar heeft hij op 30 juni 2003 zijn paspoort aan de betrokken medewerker(s) van de gemeente Almere laten zien voor zover dat nodig was ten behoeve van zijn identificatie, maar voor de Raad is niet aannemelijk geworden dat appellant inzage in het voor deze periode relevante paspoort heeft gegeven op een zodanige wijze, dat daaruit een (eventueel) verblijf in het buitenland en de duur van dat verblijf konden worden afgeleid. Verder heeft het College in de bezwaarfase zijn twijfel omtrent de echtheid van de handtekeningen op de rechtmatigheidsformulieren onderbouwd met de resultaten van een vergelijkend handschriftonderzoek. Appellant heeft daartegenover onvoldoende gesteld. Bij het voorgaande betrekt de Raad dat appellant nog in zijn hoger beroepschrift heeft aangevoerd dat hij niet in Brazilië is geweest, terwijl hij ter zitting van de Raad heeft meegedeeld dat hij in de hier van belang zijnde periode twee weken in Brazilië is geweest.

Appellant heeft subsidiair aangevoerd dat, indien zou moeten worden aangenomen dat hij in Brazilië is geweest, de anonieme tip vermeldt dat hij op 27 juni 2003 terug zou zijn in Nederland, zodat de blokkering in ieder geval met ingang van die datum had moeten worden opgeheven. Deze grief treft geen doel, nu appellant zich pas op 30 juni 2003 bij de Dienst Sociale Zaken van de gemeente Almere heeft gemeld, en hij, zoals hiervoor is aangegeven, noch bij die gelegenheid noch nadien openheid van zaken heeft gegeven over zijn verblijf in Brazilië.

Ten slotte heeft appellant naar voren gebracht dat het College hem heeft willen betrekken in een fraudeonderzoek, hetgeen volgens appellant mede blijkt uit het feit dat het gesprek op 30 juni 2003 diende plaats te vinden in aanwezigheid van een sociaal rechercheur. In dat kader had hem, naar appellant stelt, moeten worden gewezen op zijn recht om te zwijgen, hetgeen niet is geschied. Deze grief slaagt niet, reeds op grond van het feit dat appellant op 30 juni 2003 is gehoord in verband met een ingesteld (her)onderzoek naar zijn recht op bijstand, en niet als verdachte van een strafbaar feit of in het kader van het voornemen van het College tot oplegging van een boete als bedoeld in artikel 14a van de Abw.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient derhalve, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en A.B.J. van der Ham en C. van Viegen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2006.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) A.H. Polderman-Eelderink.

GG251006