Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1296

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
02-11-2006
Zaaknummer
05-6395 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstandsuitkering i.v.m. inkomsten uit arbeid. Schending inlichtingenverplichting. Opleggen boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2006, 352

Uitspraak

05/6395 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank’s-Gravenhage van 20 september 2005, 04/3793 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College).

Datum uitspraak: 31 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.D. van Alphen, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de gedingen 05/6356 tot en met 05/6400, 06/2912 en 06/5117, plaatsgevonden op 19 september 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand voornoemd. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

II. OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 24 oktober 2003 is de eerder aan appellant verleende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw over de periode van 1 juni 2003 tot en met 31 juli 2003 ingetrokken. Daarbij is overwogen dat appellant over die periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen die hij in strijd met artikel 65, eerste lid, van de Abw niet heeft gemeld. Voorts is bij dat besluit besloten tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 1.518,73. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Vervolgens is bij besluit van 6 november 2003 aan appellant een boete opgelegd op de grond dat hij als gevolg van het niet, niet juist of onvolledig verstrekken van inlichtingen op grond van de Abw ten onrechte of tot een te hoog ge bedrag aan bijstand heeft ontvangen. De boete is vastgesteld op een bedrag van € 198,--.

Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft het College het tegen het besluit van 6 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het besluit van 10 augustus 2004 beroep ingesteld.

Bij besluit van 21 juni 2005 heeft het College een nieuw besluit op bezwaar genomen. Bij dat besluit van 21 juni 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 november 2003 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op een bedrag van € 80,94. Het College heeft daarbij overwogen dat, gelet op het feit dat met ingang van 1 januari 2005 in de gemeente ’s-Gravenhage de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand in werking is getreden, artikel 15, eerste lid, van het internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ertoe noopt een boete op te leggen in de vorm van een verlaging van de bijstand van 10% van de bijstandsnorm voor de duur van een maand.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 21 juni 2005 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat, nu vaststaat dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 23 (lees: 24) oktober 2003 waarbij de bijstand over de maanden juni en juli 2003 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw is ingetrokken, in rechte vaststaat dat appellant de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft daartoe - samengevat weergegeven - aangevoerd dat de rechtbank er niet van mocht uitgaan dat, nu tegen het besluit van 24 oktober 2003 geen bezwaar is gemaakt, daarmee de schending van de inlichtingenverplichting vaststaat. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat hij wel aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan en dat hem niet kan worden verweten dat hem met ingang juni 2003 ten onrechte bijstand is verleend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Indien de belanghebbende de verplichting ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, dan leggen burgemeester en wethouders hem ingevolge

artikel 14a, eerste lid van de Abw een boete op.

Of in een gegeven situatie een boete kan worden opgelegd, is primair afhankelijk van de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 14a van de Abw. In dat kader dient het bestuursorgaan zich zelfstandig een oordeel te vormen over de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenverplichting als in dit artikel bedoeld. De enkele verwijzing naar een eerder, in rechte vaststaand intrekkingsbesluit volstaat dan ook niet. Vervolgens zal ook de rechter bij de toetsing van het boetebesluit diezelfde maatstaf dienen aan te leggen. De Raad verwijst in dit verband onder meer naar zijn uitspraak van

1 november 2005, LJN AU6363, waaruit een en ander kan worden afgeleid.

Gelet hierop heeft de rechtbank, in beroep oordelend over het besluit van 21 juni 2005, een onjuiste toetsingsmaatstaf gehanteerd. Een en ander leidt evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak nu naar het oordeel van de Raad het tegen het besluit van 21 juni 2005 ingestelde beroep terecht ongegrond is verklaard.

Daartoe overweegt de Raad het volgende.

Appellant is van opvatting dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat hij reeds op 4 juni 2003 schriftelijk aan het College heeft laten weten dat hij per 1 juni 2003 werk had en dat het College vervolgens onzorgvuldig met die brief is omgegaan.

Met het College is de Raad van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat hij eerder dan bij brief van 16 september 2003, door het College op 18 september 2003 ontvangen, melding heeft gemaakt van het feit dat hij van 1 juni 2003 tot en met 31 juli 2003 een dienstbetrekking had. Op het inlichtingenformulier over de maand juni 2003, ondertekend op 9 juli 2003, heeft appellant geen melding gemaakt van werkzaamheden. De vragen of appellant over juni 2003 inkomsten heeft ontvangen dan wel arbeid heeft verricht zijn door hem op dat formulier ontkennend beantwoord. Het inlichtingenformulier over de maand juli 2003 is eerst in oktober 2003 op juiste wijze ingevuld en ingeleverd. Dat van een andere, eerdere melding van zijn werkzaamheden sprake is, is ook de Raad niet gebleken. De door appellant bedoelde brief van 4 juni 2003 bevindt zich weliswaar onder de gedingstukken, maar is voorzien van een aantekening dat deze op 4 november 2003 is ingeleverd. Op geen enkele wijze is aangetoond dat dit briefje reeds eerder dan op 4 november 2003 in het bezit van het College was. Een en ander komt ook overeen met de wijze waarop appellant het inlichtingenformulier over de maand juni 2003 heeft ingevuld. Dat, zoals appellant nog heeft gesteld, sprake is van een vergissing in die zin dat hij ervan uitging dat op het juni-formulier de inkomsten over de maand mei dienen te worden vermeld, acht de Raad met het College onaannemelijk. Het formulier geeft zeer duidelijk aan dat het de situatie betreft over de maand juni 2003.

Het College heeft zich, het vorenstaande in aanmerking genomen, terecht op het standpunt gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 14a, eerste lid, van de Abw heeft geschonden.

De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat bij appellant elke verwijtbaarheid ten aanzien van de hiervoor gemelde gedraging ontbreekt. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat deze gedraging heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand - zodat niet met een waarschuwing kon worden volstaan - was het College verplicht aan appellant een boete op te leggen.

Het College heeft de boete bepaald op een bedrag van € 80,94.

De Raad ziet in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten om te oordelen dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging appellant kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin hij verkeert de boete op grond van artikel 14a, tweede lid, van de Abw op een lager bedrag zou moeten worden vastgesteld.

In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, vierde lid, van de Abw op grond waarvan het College de bevoegdheid heeft van het opleggen van een boete af te zien.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2006.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) R.C. Visser.