Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1077

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-10-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
04-3144 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Geschiktheid geselecteerde functies. Vastgestelde beperkingen.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

04/3144 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2004, 02/5346

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

(hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 20 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K. de Bie, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2006, waar namens appellant is verschenen mr. De Bie, voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma, werkzaam bij het Uwv.

II. OVERWEGINGEN

Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.

Appellant, geboren op 20 oktober 1951, is operator geweest bij Akzo Chemie en is op

23 oktober 1980 uitgevallen wegens rugklachten. Na afloop van de wachttijd is hem een uitkering ingevolge Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Laatstelijk genoot appellant een uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

In het kader van een herbeoordeling heeft de verzekeringsarts M. Kroon appellant op

19 maart 2001 onderzocht. Daarnaast heeft hij informatie opgevraagd bij de huisarts.

De beperkingen van appellant heeft hij neergelegd in een op 19 maart 2001 vastgesteld belastbaarheidspatroon. Dit belastbaarheidspatroon komt overeen met het op

13 maart 1996 vastgestelde belastbaarheidspatroon met dien verstande dat hij geen beperkingen meer heeft opgenomen voor nekbelastende werkzaamheden. De nieuwe aandoeningen van appellant van pijn op de borst (mogelijke angina pectoris) en de mogelijk aanwezige diabetes zijn voor hem geen aanleiding geweest om nieuwe beperkingen aan te nemen. Blijkens zijn rapport van 31 augustus 2001 is de arbeidsdeskundige G.N. van der Jagt tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel geschikt voor een vijftal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant berekend op 35-45%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv appellant bij besluit van 27 september 2001 meegedeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd blijft.

In bezwaar heeft appellant naar voren gebracht dat hij vanwege zijn fysieke en psychische klachten meer beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen en dat hij de geselecteerde functies niet kan uitoefenen. Voorts acht hij zich niet in staat om functies met wisseldiensten te verrichten. Daarnaast heeft hij nog gesteld dat de functie van assemblagemedewerker, gezien de actualiseringsdatum, ten onrechte is geselecteerd.

Nadat de bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar informatie had verkregen van de behandelend neuroloog heeft deze arts op 23 mei 2002 rapport uitgebracht. In dit rapport heeft hij de conclusie van de primaire verzekeringsarts onderschreven, waarbij hij het standpunt heeft ingenomen dat bij het vaststellen van de belastbaarheid van appellant de beperkingen als gevolg van de hartklachten en de diabetes mellitus buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat deze klachten bij hem zijn opgetreden in een onverzekerde periode. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige M. Haagmans op 21 oktober 2002 rapport uitgebracht, waarin hij onder meer heeft overwogen dat de functie van assemblagemedewerker laatstelijk is herbeoordeeld op 29 oktober 1999. Voorts is hij tot de conclusie gekomen dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

In overeenstemming met het rapport van deze arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 25 oktober 2002 het bezwaar ongegrond verklaard.

In beroep heeft appellant de in bezwaar geuite grieven herhaald, waarbij hij onder meer heeft gesteld dat hij niet langer dan een half uur kan zitten.

De rechtbank heeft zich zowel met de medische als arbeidskundige component van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant, naast de reeds eerder in de procedure geuite grieven, naar voren gebracht dat het Uwv bij de functie van assemblagemedewerker van een onjuiste loonwaarde is uitgegaan. Daarop is namens het Uwv bij schrijven van 13 juni 2006 gereageerd.

De Raad overweegt als volgt.

Uit de gedingstukken, waaronder met name het voormelde rapport d.d. 23 mei 2002 van de bezwaarverzekeringsarts Ebbelaar, blijkt dat bij de onderhavige herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant de (eventuele) toename van de beperkingen als gevolg van de hartklachten en diabetes mellitus buiten beschouwing zijn gelaten omdat deze klachten naar de mening van het Uwv zijn opgetreden in een onverzekerde periode. Een dergelijke beoordeling acht de Raad, zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen in zijn uitspraak van 27 april 1999 (LJN: ZB8247 en gepubliceerd in RSV 1999/180), niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 37, tweede lid, van de WAO.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp van de WAO (Stb. 1966, 84, Kamerstukken 7171) is uiteengezet dat, anders dan bij de voorheen geldende Ongevallenwet, voor de WAO is gekozen voor een systeem van één uitkering, die bij toeneming of afneming van arbeidsongeschiktheid wordt verhoogd of verlaagd, zonder dat de oorzaak van de ongeschiktheid relevant is.

Een uitzondering op dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 37 van de WAO. Dit artikel strekt ertoe dat, voor de in dat artikel aangegeven personen, het risico van ontstaan van een grotere mate van arbeidsongeschiktheid dan waarnaar de lopende arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend, buiten het verzekerde risico valt in zoverre die toeneming is gelegen in een andere oorzaak, dan die welke tot toekenning van die uitkering heeft geleid. Hieruit volgt niet dat de medische beperkingen die kennelijk voortvloeien uit een andere ziekte-oorzaak in voormelde zin bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid buiten beschouwing dienen te blijven, doch slechts dat, indien die beoordeling tot het oordeel leidt dat de mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen, herziening van de lopende uitkering wegens die toeneming achterwege blijft. Voor het geval van appellant betekent dit dat zijn medische beperkingen die voortvloeien uit zijn hartklachten en zijn diabetes mellitus bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid niet buiten beschouwing kunnen blijven.

Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit in rechte niet kan worden gehandhaafd en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep.

Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtshulp in beroep en op

€ 644,-- voor verleende rechtshulp in hoger beroep, in totaal derhalve op € 1.288,--

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het inleidende beroep gegrond;

Vernietigt het bestreden besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van €102,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2006.

(get.) D.J. van der Vos.

(get.) P.H. Broier.

BKH051006