Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ1029

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
05/5045 WW, 05/5046 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW- en bovenwettelijke uitkering geweigerd. Nagelaten passende arbeid te aanvaarden? Ontvankelijkheid beroep.

Tegen deel van het besluit had eerst bezwaar moeten worden gemaakt. Zelf voorzien de zaak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Algemene wet bestuursrecht 7:1
Algemene wet bestuursrecht 6:15
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

05/5045 WW, 05/5046 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op de hoger beroepen van:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant 1),

en

Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland (hierna: appellant 2),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2005, 04/841 en 04/842 (hierna: aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

[betrokkene], (hierna: betrokkene),

en

appellanten.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant 2 heeft te kennen gegeven niet aan het geding tussen appellant 1 en betrokkene te zullen deelnemen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2006. Appellanten zijn niet verschenen. Betrokkene is verschenen met bijstand van mr. E.M. Putters-van Veen, advocaat te Gorinchem.

II. OVERWEGINGEN

1. De in deze gedingen aan de orde zijnde geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2. Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant 2 als werkgever is aangeduid en betrokkene als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten omstandigheden, waarvan ook de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming.

"Sinds l augustus 1971 was eiser bij de Directie Wegen van Rijkswaterstaat tewerkgesteld als toezichthouder. In verband met de overname van taken van Rijkswaterstaat door de provincie in het kader van de Wet Herverdeling Wegen trad eiser op l januari 1994 bij de Provincie Gelderland in dienst als toezichthouder in het wegendistrict Rivierengebied. Gelet op het feit dat eiser deze functie niet als passend beschouwde, werd hij op de herplaatsingslijst geplaatst, hetgeen hem bij vacatures een voorkeurspositie verleende. In 1994 is eiser belast met de functie van toezichthouder civiele werken in het Rivierengebied. In december 1998 werd eiser benaderd voor een functie Medewerker Meten, waarvoor hij niet bemiddeld wilde worden. In januari 2000 is eiser benaderd voor de functie inspecteur zwemgelegenheden. Hiervoor had hij geen belangstelling. Medio 2000 is eiser naar aanleiding van een vuile-grond-affaire van zijn functie als toezichthouder civiele werken in het Rivierengebied ontheven, gelet op het feit dat zijn echtgenote mede-eigenaar/aandeelhouder was van de in deze regio werkzame aannemer. De werkgever nam deze maatregel ter voorkoming van elke schijn van belangen- verstrengeling, waarbij vaststond dat eiser geen enkele blaam trof. Het gebeurde was voor eiser wel de oorzaak van een ernstige vertrouwensbreuk en een verstoorde arbeidsrelatie. Op 20 september 2000 startte hij in de functie Inspecteur ontgrondingen bij de Dienst REW, een functie waarop hij eerder in april 1999 had gesolliciteerd. Op 27 september 2000 gaf eiser aan deze niet langer te willen vervullen en is hij hiermee ook daadwerkelijk gestopt. Daarna is eiser ziek geworden. Vervolgens is in een gesprek met eiser afgesproken te bezien of een herstart in deze functie mogelijk was. De werkgever heeft echter besloten dat dit niet realistisch was en de plaatsing bij de dienst REW ingetrokken. Op 27 maart 2001 heeft hij aangegeven de functie toezichthouder civiele werken Rivierengebied te willen hervatten, hetgeen de werkgever heeft geweigerd. Op 26 april 2002 is de functie medewerker verhardingen bij de dienst WVV opgedragen aan bezwaarde (lees:) eiser, doch op advies van de bedrijfsarts, inhoudende dat hij situatief arbeidsongeschikt was voor deze functie, heeft de werkgever op 6 maart 2003 de plaatsing in deze functie weer ingetrokken. Op 17 juli 2003 is aan eiser ingaande l augustus 2003 ontslag verleend.".

3. Betrokkene heeft een uitkering ingevolge de WW aangevraagd alsmede een bovenwettelijke uitkering op grond van de Regeling Aanvullende Voorzieningen bij Werkloosheid (hierna: de Regeling), onderdeel van de Arbeidsvoorwaardenregeling Provincies. Bij besluit van 8 januari 2004 heeft appellant 1 betrokkene meegedeeld dat, aangezien deze appellant vermoedde dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden, hij geen uitkering ingevolge de WW zal krijgen en dat hem ook geen voorschotten zullen worden betaald. Bij besluit van 9 januari 2004 heeft appellant 1 namens appellant 2, onder toepassing van artikel 6 van de Regeling, geweigerd betrokkene een bovenwettelijke uitkering toe te kennen. Na gemaakt bezwaar heeft appellant 1 bij besluit van 22 maart 2004 het besluit van 8 januari 2004 ingetrokken. Voorts heeft appellant 1 bij wijze van maatregel geweigerd betrokkene een uitkering ingevolge de WW toe te kennen op de grond dat betrokkene nagelaten heeft de door appellant 2 aangeboden passende arbeid te aanvaarden. Bij besluit van gelijke datum heeft appellant 2 het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 9 januari 2004 gedeeltelijk gegrond verklaard, onder verwijzing naar de motivering die appellant 1 heeft gegeven voor de intrekking van het besluit van 8 januari 2004, en betrokkenes bezwaren voor het overige ongegrond verklaard onder verwijzing naar onder andere de artikelen 24 en 27 van de WW.

4. De rechtbank heeft de beroepen van betrokkene tegen de besluiten van 22 maart 2004 gegrond verklaard, en deze besluiten vernietigd, appellant 1 en - naar uit die uitspraak moet worden afgeleid ook appellant 2 - opgedragen nieuwe besluiten op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de rechtbank in haar uitspraak heeft overwogen en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht.

5. Het oordeel van de Raad.

5.1. De Raad volgt appellanten niet in de - overigens niet nader geadstrueerde - stelling dat de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk had moeten verklaren, wegens het ontbreken van een in rechte te honoreren belang, omdat betrokkene reeds een uitkering van appellant 2 ontvangt. Het feit dat betrokkene kennelijk een zogeheten aanvullende en nawettelijke uitkering door appellant 2 is toegekend onder toepassing van artikel 19 van de Regeling laat onverlet dat hij een processueel belang heeft bij een rechterlijke uitspraak omtrent de weigering hem een uitkering ingevolge de WW en een bovenwettelijke uitkering toe te kennen, reeds omdat de door appellant 2 ingevolge de Regeling toegekende uitkering slechts een garantieregeling is die aanvullend is ten opzichte van andere uitkeringen, waaronder een uitkering ingevolge de WW en een bovenwettelijke uitkering.

5.2. Appellant 1 moet wel gevolgd worden in de stelling dat de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over het besluit van appellant 1 van 22 maart 2004. Het besluit van 8 januari 2004 bevatte immers alleen een beslissing omtrent voorschotverlening. Die beslissing is ingetrokken in het besluit van 22 maart 2004. Tegen deze intrekking was het beroep van betrokkene niet gericht. Daarnaast bevatte het besluit van appellant 1 van 22 maart 2004 een eerste besluit over appellants recht op uitkering ingevolge de WW. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 16 maart 2005, LJN AT3098,

RSV 2005/183, overweegt de Raad dat betrokkene tegen dit gedeelte van het hier bedoelde besluit van 22 maart 2004 ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) eerst bezwaar had moeten maken voordat voor hem de weg van beroep op de bestuursrechter openstond. Betrokkene heeft tegen het besluit tot weigering van de WW-uitkering in plaats van het maken van bezwaar evenwel onmiddellijk beroep bij de rechtbank ingesteld. Naar het oordeel van de Raad had dit beroep door de rechtbank niet-ontvankelijk moeten worden verklaard en had de rechtbank het beroepschrift met toepassing van art. 6:15, eerste lid, van de Awb moeten doorzenden naar appellant 1 ter behandeling als bezwaarschrift. Nu de rechtbank het beroep van betrokkene tegen de weigering hem een WW-uitkering te verstrekken ontvankelijk heeft geacht en inhoudelijk heeft behandeld, moet de aangevallen uitspraak, voorzover betrekking hebbend op dit besluit, worden vernietigd.

5.3. Omdat partijen hun standpunt over het geschil dat hen met betrekking tot dat besluit verdeeld houdt in bezwaar en in beroep uitgebreid naar voren hebben gebracht en de Raad over voldoende gegevens beschikt om tot finale beslechting van het geschil te komen, zal de Raad, mede gelet op hetgeen betrokkene hieromtrent ter zitting naar voren heeft gebracht, het inleidende beroepschrift tegen het besluit van appellant 1 van 22 maart 2004 niet ter behandeling als bezwaarschrift naar deze appellant doorzenden, maar met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, zelf op het als bezwaar te behandelen inleidende beroep tegen dat besluit beslissen.

5.4. Daartoe overweegt de Raad dat appellant 1 bij dat besluit, uitdrukkelijk stellend dat betrokkene niet als verwijtbaar werkloos kan worden beschouwd, toepassing heeft gegeven aan artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, onder ten tweede, van de WW. Ingevolge deze bepaling moet een werknemer voorkomen dat hij werkloos is of blijft doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt. Ingevolge artikel 27, tweede lid, van de WW dient appellant 1, indien een werknemer de juist vermelde verplichting niet is nagekomen, de uitkering blijvend te weigeren over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen. Dit heeft in het onderhavige geval geleid tot een blijvend gehele weigering van WW-uitkering. Ingevolge artikel 24, vierde lid, van de WW wordt als passende arbeid beschouwd alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

5.5. De vraag of betrokkene werkloos is of blijft doordat hij heeft nagelaten aangeboden passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen beantwoordt de Raad ontkennend.

5.6. De Raad merkt daartoe op dat de verstoorde arbeidsrelatie die tot het ontslag van betrokkene heeft geleid het directe gevolg is van zijn ontheffing op 30 juni 2000 uit de functie van toezichthouder civiele werken in het Rivierengebied. Deze ontheffing is het gevolg geweest van externe factoren ten aanzien waarvan betrokkene geen enkel verwijt gemaakt kan worden. De daarvóór aan betrokkene aangeboden functies zijn niet van belang in het kader van de toepassing van de juist genoemde bepalingen omdat betrokkene op het moment dat deze functies werden aangeboden in het geheel niet kon voorzien dat hij werkloos zou worden. Het aangeboden outplacement en de voorgestelde loopbaanoriëntatie spelen in het kader van de onderhavige wetstoepassing geen enkele rol reeds omdat deze aan de orde waren voorafgaand aan de ontheffing uit de functie van toezichthouder civiele werken. Voor de nadien opgedragen functie van inspecteur ontgrondingen geldt dat betrokkene deze functie heeft aanvaard, maar uiteindelijk heeft appellant 2 besloten dat het niet gewenst was dat betrokkene deze functie langer zou uitoefenen. Het vervolgens genomen besluit betrokkene de functie van medewerker verhardingen op te dragen is door appellant 2 ingetrokken klaarblijkelijk omdat hij deze functie voor betrokkene niet passend achtte op grond van een advies van de bedrijfsarts. Het gebeurde rond deze functie kan derhalve evenmin worden gezien als teken dat betrokkene werkloos is doordat hij heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden of door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen.

5.7. Het in 5.5. en 5.6. overwogene leidt tot de conclusie dat niet staande kan worden gehouden dat betrokkene een verplichting hem op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten tweede van de WW niet is nagekomen zodat niet is voldaan aan de voorwaarde voor een rechtmatige toepassing van artikel 27, tweede lid, van de WW.

5.8. Dit betekent dat het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 8 januari 2004 gegrond is.

5.9. Tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit van appellant 2 van 22 maart 2004 heeft deze appellant in hoger beroep geen grieven aangevoerd. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen voor zover het beroep tegen dit besluit gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd.

5.10. Appellanten hebben voorts terecht aangevoerd dat de rechtbank een onjuiste proceskostenveroordeling heeft uitgesproken. Dienaangaande overweegt de Raad in de eerste plaats dat de Staat der Nederlanden ten onrechte is aangewezen als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden. Verder had de rechtbank, nu in eerste aanleg samenhangende zaken voorlagen, onder toepassing van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht de zaken moeten beschouwen als één zaak. Ook om deze redenen kan de aangevallen uitspraak geen stand houden. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het in eerste aanleg wegens verleende rechtsbijstand toe te wijzen bedrag van € 644,-- aan proceskostenvergoeding voor ieder der appellanten stellen op € 322,-- te betalen door de in rubriek III vermelde rechtspersonen.

6. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellanten op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot - omdat de Raad de hem voorgelegde zaken als één zaak beschouwt - een bedrag van € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand, waarbij het door ieder der appellanten te betalen bedrag op

€ 322,-- is gesteld.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van appellant 2 van 22 maart 2004 gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd, alsmede voorzover appellant 2 is opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 9 januari 2004;

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

Verklaart het als bezwaar behandelde beroep tegen het besluit van appellant 1 van 22 maart 2004 gegrond;

Herroept het besluit van appellant 1 van 22 maart 2004, voor zover daarbij een maatregel is opgelegd en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van dit besluit;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,--, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Veroordeelt de Geduputeerde Staten van de provincie Gelderland in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van

€ 644,--, te betalen door de Provincie Gelderland.

Deze uitspraak is gedaan door M.A. Hoogeveen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bolt als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

(get.) M.A. Hoogeveen.

(get.) R.B.E. van Nimwegen.