Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0960

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
04-5855 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Wijziging belastbaarheid, toch intrekking uitkering. Ingangsdatum.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 34, geldigheid: 2006-10-24
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 34, geldigheid: 2006-10-24
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 87, geldigheid: 2006-10-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/348

Uitspraak

04/5855 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 14 september 2004, 04/196 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),

Datum uitspraak: 24 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 21 januari 2005 heeft de Raad het Uwv verzocht om aan te geven of de uitspraken van de Raad van 9 november 2004 (LJN AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722) aanleiding geven om in de onderhavige zaak nog een nadere aanvulling en/of motivering op het besluit in te sturen. Bij brief van 14 februari 2005 heeft het Uwv op deze brief gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2006. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nijk voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk werkzaam als visfileerster en is op 12 maart 1997 voor deze werkzaamheden uitgevallen met rugklachten en klachten aan de luchtwegen (CARA).

Na het doorlopen van de wettelijke wachttijd werd appellante met ingang van 11 maart 1998 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In het kader van de beoordeling inzake de voortzetting van evenvermelde uitkering heeft de verzekeringsarts N. Al-Soudi appellante op 16 januari 2003 onderzocht en in zijn rapportage van dezelfde datum geconcludeerd dat, ten opzichte van een eerder opgesteld belastbaarheidspatroon, sprake is van een wijziging van de belastbaarheid van appellante. Al-Soudi achtte appellante belastbaar overeenkomstig een door hem opgestelde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Op basis hiervan heeft de arbeidsdeskundige W. Heij met behulp van het Claim Beoordeling- en Borgingssysteem (CBBS) - na overleg en afstemming met de verzekeringsarts - functies geselecteerd. Blijkens zijn rapportage van 21 augustus 2003 achtte de arbeidsdeskundige appellante geschikt voor de functies, vermeld onder de SBC-code 111190 Inpakker (handmatig), SBC-code 111180 Productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) en SBC-code 111010 Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten). De arbeidsdeskundige heeft in zijn rapport uiteengezet dat de verzekeringsarts alle geduide functies heeft bekeken en beoordeeld, dat bij het duiden van de functies strikt rekening is gehouden met de voor appellante aangegeven beperkingen, dat de verzekeringsarts bij de uiteindelijk geduide functies nog eens extra naar de belasting heeft gekeken en dat zich met betrekking tot die functies derhalve geen overschrijdingen voordoen. Aan de hand van hetgeen appellante met voornoemde functies kan verdienen heeft de arbeidsdeskundige de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15%. Vervolgens nam het Uwv het besluit van 22 september 2003, waarbij een aanvraag van appellante tot voortzetting van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering werd afgewezen.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 januari 2004 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 12 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft blijkens haar overwegingen de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

In hoger beroep heeft appellante, evenals in eerste aanleg, gesteld dat de klachten en beperkingen, die eerder hebben geleid tot haar volledige arbeidsongeschiktheid, op de datum in geding onverminderd aanwezig waren. Volgens appellante is onder die omstandigheden onvoldoende gemotiveerd waarom op de datum in geding werd gekomen tot een andere beoordeling. Appellante heeft zich voorts beroepen op de in rubriek I genoemde uitspraken van de Raad van 9 november 2004. Appellante heeft ten slotte als grief naar voren gebracht dat het Uwv niet tijdig heeft beslist inzake de voortzetting van de WAO-uitkering. Appellante heeft er op gewezen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering haar is toegekend tot 11 maart 2003, terwijl het Uwv eerst op 22 september 2003 heeft beslist inzake de voortzetting. Volgens appellante moet de WAO-uitkering worden voortgezet totdat over het nieuwe recht op uitkering is beslist met een uitlooptermijn van twee maanden.

Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Wat betreft het medische aspect van de in geding zijnde beoordeling overweegt de Raad dat hij evenals de rechtbank geen aanleiding ziet om te oordelen dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat. Daarbij laat de Raad wegen dat de bezwaarverzekeringsarts J.H. Nagel in het kader van de bezwaarprocedure geen aanleiding heeft gezien af te wijken van de bevindingen van de verzekeringsarts.

Nagel heeft de hoorzitting bijgewoond, appellante opnieuw onderzocht en het dossier bestudeerd, waarin zich ook informatie van de huisarts van appellante bevindt.

De beschikbare medische gegevens leveren geen aanknopingspunten op voor het oordeel dat op de datum in geding zwaardere beperkingen, waaronder naar het oordeel van de Raad mede het stellen van een urenbeperking kan worden gerekend, hadden moeten worden gesteld. Appellante heeft haar standpunt dat haar medische beperkingen zijn onderschat niet met medische gegevens onderbouwd.

Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad niet gebleken dat appellante de werkzaamheden behorende bij de geselecteerde functies niet zou kunnen verrichten. De door de arbeidsdeskundige Heij gegeven toelichting in zijn hiervoor vermeld rapport van 21 augustus 2003 voldoet naar het oordeel van de Raad reeds aan de in ’s Raads jurisprudentie neergelegde hogere eisen die moeten worden gesteld aan de verslaglegging en motivering van schattingsbesluiten met behulp van het CBBS.

Heij heeft in dat rapport namelijk voldoende inzichtelijk onderbouwd waarom de functies binnen de medische mogelijkheden van appellante blijven. Daarbij is van belang dat de arbeidsdeskundige in zijn rapportage de uitgangspunten van de betrokken functies voorop heeft gesteld, specifiek heeft aangegeven op welke aspecten aangaande de belastbaarheid van appellante hij heeft gelet en heeft geconstateerd dat de functies op deze aspecten geen overschrijding van de belastbaarheid kennen. De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kan de rechterlijke toets derhalve evenzeer doorstaan.

De Raad deelt niet de opvatting van appellante dat het Uwv nader had moeten motiveren waarom bij ongewijzigde klachten van appellante wordt geconcludeerd dat de arbeidsongeschiktheid beneden 15% is gedaald. Immers, niet de klachten zijn doorslaggevend, maar de objectiveerbare medische beperkingen. Daarnaast wordt de mate van arbeidsongeschiktheid mede bepaald door een arbeidskundige component, die zich in de loop der jaren heel wel kan wijzigen.

Het bestreden besluit kan echter niettemin in rechte niet standhouden gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.

Het primaire besluit van 22 september 2003 is genomen naar aanleiding van appellantes aanvraag tot voortzetting van haar WAO-uitkering en behelst de afwijzing van die aanvraag. Hoewel uit het primaire besluit niet zonder meer valt af te leiden met ingang van welke datum het Uwv heeft beoogd appellante niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de WAO, heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 11 maart 2003 als de datum van beëindiging van appellantes WAO-uitkering aangemerkt. Ter zitting bij de Raad hebben partijen aangegeven dat ook zij hiervan zijn uitgegaan.

De Raad ziet geen aanleiding om van een ander uitgangspunt uit te gaan.

Ingevolge artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van de WAO (zoals dat artikellid luidde ten tijde van het nemen van het primaire besluit), stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de belanghebbende van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag schriftelijk in kennis uiterlijk vier maanden vóór de datum waarop de periode waarover de arbeidsongeschiktheidsuitkering is toegekend, verstrijkt.

Ingevolge het eveneens op evenbedoeld tijdstip geldende artikel 34, vierde lid, van de WAO, wordt, indien niet binnen de termijn bedoeld in artikel 87, tweede lid, een beslissing is genomen op een tijdig ingediende aanvraag tot voortzetting van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, de uitkering voortgezet tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt.

Ingevolge artikel 34, vijfde lid, van de WAO, voorzover hier van belang, wordt een aanvraag geacht tijdig te zijn ingediend, indien het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid, niet heeft gedaan.

Aan de Raad is op grond van de beschikbare gegevens niet kunnen blijken dat het Uwv de kennisgeving bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de WAO heeft gedaan. Onder die omstandigheden moet het er naar het oordeel van de Raad voor worden gehouden dat appellantes aanvraag tot voortzetting van haar WAO-uitkering tijdig is ingediend en was het Uwv gehouden de uitkering van appellante voort te zetten tot het tijdstip waarop de beschikking op de aanvraag is bekendgemaakt. Nu het Uwv dit niet heeft gedaan, heeft het bij het nemen van het bestreden besluit - en trouwens ook het primaire besluit - gehandeld in strijd met artikel 34, vierde lid, van de WAO.

Het vorenstaande brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond dient te worden verklaard, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en dat het Uwv wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak van de Raad.

Wat dit laatste betreft merkt de Raad nog op dat het Uwv het medische en arbeidskundige aspect van de in geding zijnde beoordeling opnieuw dient te bezien, aangezien er een periode van ruim een half jaar is gelegen tussen 11 maart 2003 en de datum van bekendmaking van het primaire besluit.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 22,70 aan reiskosten in hoger beroep, in totaal € 1310,70.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;

Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1310,70, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep van in totaal € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2006.

(get.) C.W.J. Schoor

(get.) M. Gunter

Gw