Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0892

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
27-10-2006
Zaaknummer
04-4675 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WAO-schatting. Mocht bezwaararts functiemogelijkhedenlijst op punt "frequent reiken tijdens het werk" bijstellen?

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2006/347 met annotatie van Redactie

Uitspraak

04/4675 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 augustus 2004, 04/402 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 17 oktober 2006

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. de Casparis, advocaat te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend alsmede een rapportage van de bezwaar-verzekeringsarts F.G. Slebus van

9 november 2004.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2006. Appellante is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.

II. OVERWEGINGEN

Appellante was laatstelijk werkzaam als verpleegkundige toen zij op 16 september 1999 uitviel ten gevolge van een peesontsteking aan de rechterschouder en rugklachten. In aansluiting op de daarvoor geldende wachttijd ontving appellante vanaf 14 september 2000 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

In verband met de eerstejaars herbeoordeling heeft de verzekeringsarts P.R.S. Baidjoe op 21 augustus 2002 appellante onderzocht en in zijn rapport van dezelfde datum aangegeven dat er beperkingen zijn ten gevolge van ziekte of gebrek. Baidjoe heeft de voor appellante vastgestelde mogelijkheden en beperkingen om in het algemeen gedurende een hele werkdag te functioneren vastgelegd in een zogeheten Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) van 23 augustus 2002. Appellante is onder andere licht beperkt geacht op het item frequent reiken tijdens het werk. Baidjoe heeft daarbij nog opgemerkt dat de frequentie niet te hoog mag zijn. Aan de hand van de FML en de arbeidsmogelijkhedenlijst van 30 oktober 2002 heeft de arbeidsdeskundige R.J. Nitert functies geselecteerd. In het door Nitert op 7 november 2002 uitgebrachte rapport is vermeld dat, gezien de aan de geselecteerde functies te ontlenen loonwaarde, het verlies aan verdiencapaciteit van appellante op 31,30% moet worden gesteld zodat appellante ingedeeld dient te worden in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%. Bij besluit van 11 juli 2003 heeft het Uwv met ingang van 25 augustus 2003 de WAO-uitkering van appellante herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

In de bezwaarfase heeft de bezwaarverzekeringsarts L.S. Dekhuijzen op 30 oktober 2003 een rapport uitgebracht. Hierin is vermeld dat er redenen zijn om af te wijken van de primaire verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Dekhuijzen heeft op

30 oktober 2003 een gewijzigde FML opgesteld. In deze nieuwe FML is appellante op het item frequent reiken tijdens het werk licht beperkt met als omschrijving “kan zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 600 keer reiken”. Als toelichting heeft Dekhuijzen opgemerkt maximaal 150 keer per uur 70 centimeter. De bezwaararbeidsdeskundige

H. van Gelder heeft geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid evenals bij het primaire besluit 25 tot 35% bedraagt. Bij besluit van 21 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante dan ook ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de motivering die door Dekhuijzen in zijn rapportage van 30 oktober 2003 is aangegeven, naar het oordeel van de rechtbank voldoende grondslag biedt voor een wijziging van de FML. De rechtbank oordeelt dat appellante op 25 augustus 2003 in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde beperkingen, en waarmee zij een zodanig inkomen kan verdienen dat zij voor 25 tot 35% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden beschouwd.

Het geschil spitst zich allereerst, gelet op het hoger beroep van appellante, toe op de vraag of de bezwaarverzekeringsarts de FML op het item 'frequent reiken tijdens het werk' mocht bijstellen.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en hij overweegt daartoe het volgende.

Aan de Raad is niet gebleken dat de door de bezwaarverzekeringsarts Dekhuijzen op 30 oktober 2003 opgestelde FML geen juiste weergave vormt van de bij appellante ten tijde in geding bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Dekhuijzen volgens zijn rapportage van 30 oktober 2003 bij het opstellen van de FML kennis droeg van de eerdere bezwaarverzekeringsgeneeskundige beoordeling van 12 juli 2001 en de bevindingen van de primaire verzekeringsarts van 21 augustus 2002. De herbeoordeling in het kader van het bezwaar brengt mee dat de feiten (wederom) juist kunnen worden vastgesteld, ook als blijkt dat dit betekent dat een verzekerde méér belastbaar is dan aanvankelijk werd aangenomen. Nu de mate van arbeidsongeschiktheid door de gewijzigde FML van 30 oktober 2003 en de daarmee samenhangende gewijzigde functieduiding in bezwaar echter niet is veranderd, zoals meegedeeld in het bestreden besluit, is er ook overigens geen reden waarom de bijstelling van de FML ongeoorloofd zou zijn.

De aan appellante voorgehouden functies kunnen naar het oordeel van de Raad, met name gelet op het evengenoemde rapport van 30 oktober 2003, alsmede het verhandelde ter zitting als passend worden aangemerkt. Het Uwv heeft derhalve terecht de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante bepaald op 25 tot 35% in het kader van de WAO.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J. Schoor en H.G. Rottier als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2006.

(get.) K.J.S. Spaas.

(get.) T.S.G. Staal.