Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2006:AZ0723

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
05-6771 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Verstoorde arbeidsverhouding. Verwijtbaarheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

05/6771 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 30 september 2005, 05/245 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 18 oktober 2006.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft drs. F.P. Fakkers als haar gemachtigde hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2006. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv is niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

2.1. Voor een uitgebreide weergave van de relevante feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

2.2. Appellante, verpleegkundige, is op 1 oktober 1978 in dienst getreden van de [naam Stichting 1] te [vestigingsplaats], thans [naam werkgever] geheten (hierna: de werkgever). Appellante is met ingang van 13 januari 2003 als screeningsverpleegkundige geplaatst op de afdeling Opname en Ontslag. Op 26 maart 2003 hebben het hoofd van de afdeling en de coördinator opname naar aanleiding van klachten over appellantes houding een gesprek met haar gevoerd. Hierin is appellante op de hoogte gesteld van de klachten en zijn afspraken gemaakt om tot verbetering te komen. Blijkens het van dit gesprek opgemaakte verslag heeft appellante te kennen gegeven teleurgesteld te zijn en zich niet te herkennen in de haar voorgehouden opvatting van het hoofd dat zij dominant gedrag vertoont.

2.3. Na ontvangst van het gespreksverslag heeft appellante geprotesteerd en vervolgens is een briefwisseling tussen haar en diverse personen uit het ziekenhuis gevoerd en hebben gesprekken plaatsgevonden. Appellante heeft daarin beschuldigingen geuit jegens onder anderen haar leidinggevenden en in niet mis te verstane bewoordingen aangegeven dat zij zich zeer gegriefd voelde door de kritiek op haar functioneren, deze niet accepteerde en dat zij excuses en rectificatie eiste. Op een gegeven moment wilde appellante geen gesprekken meer voeren met haar leidinggevenden indien het haar niet werd toegestaan deze op band op te nemen en een door de werkgever aangeboden mediationtraject heeft appellante kort na aanvang afgebroken omdat de mediator naar haar mening niet onpartijdig was. Uiteindelijk is de arbeidsverhouding zodanig verstoord geraakt, dat appellante op non-actief is gesteld en de werkgever de kantonrechter op 19 december 2003 heeft verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van een onoverbrugbaar verschil van inzicht over de wijze waarop door appellante invulling dient te worden gegeven aan haar functioneren. De kantonrechter heeft de arbeidsovereen-komst bij beschikking van 3 februari 2004 voorwaardelijk ontbonden met ingang van 15 februari 2004. Op grond van de duur van het dienstverband en de verder smetteloze staat van dienst van appellante heeft de kantonrechter haar ten laste van de werkgever een vergoeding toegekend van € 20.775,-- bruto. De werkgever heeft het ontbindingsverzoek niet ingetrokken.

2.4. Op 25 februari 2004 heeft appellante een uitkering ingevolge de WW aangevraagd. Het Uwv heeft de uitkering bij besluit van 7 juli 2004 bij wijze van maatregel met ingang van 1 juni 2004 blijvend geheel geweigerd op grond van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW. Deze artikelen bepalen dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt door zich verwijtbaar zodanig te gedragen, dat hij redelijkerwijs heeft moeten begrijpen, dat dit gedrag de beëindiging van zijn dienstbetrekking tot gevolg zou kunnen hebben. Voor matiging van de maatregel op de grond dat het niet nakomen door appellante van de hierboven geformuleerde verplichting haar niet in overwegende mate is te verwijten, zag het Uwv geen aanleiding. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 3 januari 2005 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft appellantes beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank was met het Uwv van oordeel dat sprake was van verwijtbare werkloosheid als bedoeld in bovengenoemde artikelen en dat appellante haar gedrag in overwegende mate kan worden verweten.

4. Appellante heeft in hoger beroep alleen het oordeel van de rechtbank inzake de mate van verwijtbaarheid aangevochten. Daarbij heeft appellante angevoerd dat zij vanaf maart 2003 blootstond aan intimidatie, manipulatie en isolatie van de zijde van de werkgever, waardoor zij zich op de werkplek niet veilig meer voelde. Naar haar mening was de werkgever niet werkelijk bereid in het conflict met haar tot een oplossing te komen, omdat op de afdeling waar zij werkte één van de twee screeningsverpleegkundigen zou moeten verdwijnen in verband met een reorganisatie. Uit onmacht heeft appellante, zo heeft zij gesteld, brieven gestuurd met een te agressieve toonzetting. Hierbij heeft zij erop gewezen dat dit laatste waarschijnlijk mede te wijten is aan het feit dat haar echtgenoot, die alle brieven voor haar concipieerde, achteraf aan een ernstige ziekte bleek te lijden, waaraan hij onlangs is overleden.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. Nu appellante het hoger beroep heeft beperkt tot de vraag of het niet naleven van de in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW opgenomen verplichting haar in overwegende mate kan worden verweten zal de Raad uitsluitend daarover een oordeel geven.

5.2. De Raad is van oordeel dat appellante ten volle verantwoordelijk is voor de door of namens haar geschreven brieven. De omstandigheden waaronder die brieven tot stand zijn gekomen doen daaraan niet af. De Raad heeft voorts op grond van de overgelegde stukken niet de indruk gekregen dat de werkgever onwillig was om tot een oplossing te komen van het gerezen conflict met appellante, noch dat zijn opstelling was ingegeven door de wens van appellante af te komen. Hierbij wijst de Raad erop dat de werkgever appellante herhaaldelijk heeft uitgenodigd voor gesprekken en ook een mediationtraject heeft aangeboden in een poging een escalatie van het conflict te voorkomen. Dat dit alles niet tot resultaat heeft geleid door de opstelling van de werkgever is door appellante onvoldoende aannemelijk gemaakt.

De Raad is tenslotte niet in het minst gebleken dat de werkgever zich van appellante wilde ontdoen omdat één van de twee arbeidsplaatsen voor screeningsverpleegkundige op de afdeling zou moeten verdwijnen.

6. Op grond van bovenstaande overwegingen komt de Raad tot het oordeel dat de rechtbank het standpunt van het Uwv dat niet kan worden gezegd dat het niet nakomen door appellante van de verplichting om te voorkomen dat zij verwijtbaar werkloos wordt als bedoeld in de in 2.2.genoemde artikelen, haar niet in overwegende mate kan worden verweten, terecht in stand heeft gelaten.

6.1. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

7. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroor-deling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en B.M. van Dun als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.R.S. Bacon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

(get.) H. Bolt.

(get.) M.R.S. Bacon.